29 mei 2014

Karlheinz Böhm


86, Grödig (Salzburg), 29 mei, ziekte van Alzheimer

In Duitsland geboren Oostenrijks acteur en weldoener. Zoon van de legendarische dirigent Karl Böhm en de oorspronkelijk Duitse sopraan Thea Linhard maakte minstens drie keer filmgeschiedenis. Bij het grote publiek zal hij voor altijd de knappe keizer Frans Jozef I blijven, tegenover Romy Schneider als keizerin Elisabeth, in de mierzoete, maar ook in Nederland immens populaire Sissi-trilogie: Sissi (Ernst Marischka, 1955), Sissi, die junge Kaiserin (Marischka, 1956) en Sissi, Schicksalsjahre einer Kaiserin/Sissi, de woelige jaren (Marischka, 1957).
Om van het bijbehorend imago van matinee-idool af te komen nam Böhm in de uit het succes resulterende internationale carrière een groot risico door de hoofdrol van een seriemoordenaar en voyeur te spelen in Peeping Tom (Michael Powell, 1960). De film werd afgemaakt door de goedesmaakpolitie en kwam zowel regisseur als hoofdrolspeler op een zekere vorm van uitsluiting te staan, al zou Martin Scorsese later het voortouw nemen in een grootscheepse rehabilitatie: een film over dodelijke blikken, bijna een cinefiel ideaal.
Uiteindelijk maakte Böhm ook in Duitsland een opvallende comeback als vaste waarde in een reeks films van Rainer Werner Fassbinder: de tv-film Martha (1974), Fontane Effi Briest (1974), Faustrecht der Freiheit (1975) en Mutter Küsters' Fahrt zum Himmel (1975).
De in 1939 met vervalste papieren, die een longziekte voorwendden, naar Zwitserland uitgeweken jongen, volgde daar de middelbare school en wilde aanvankelijk pianist worden. Toen zijn vader zag dat het talent daarvoor beperkt was, drong hij aan op studies letteren en kunstgeschiedenis, maar al op 20-jarige leeftijd maakte hij zijn filmdebuut, met een kleine rol in Der Engel mit der Posaune (Karl Hartl, 1948). Eerste officiële credit in Wienerinnen (Kurt Steinwendner, 1952). Daarna onder meer in Haus des Lebens (Hartl, 1952), een eerste grotere rol, tegenover Hildegard Knef en Erich von Stroheim, in Alraune (Arthur Maria Rabenalt, 1952), Der Weibertausch (Karl Anton, 1952), Salto Mortale (Viktor Tourjansky, 1953), Arlette erobert Paris (Tourjansky, 1953), Der unsterbliche Lump (voor het eerst top-billed; Rabenalt, 1953), Hochzeit auf Reisen (Paul Verhoeven, 1953), tegenover Ulla Jacobsson in Die heilige Lüge/…und ewig bleibt die Liebe (Wolfgang Liebeneiner, 1954), 
Die Hexe (Gustav Ucicky, 1954), een cameo in Ewiger Walzer/De levensroman van Johan Strauss (Verhoeven, 1954), Die goldene Pest (John Brahm, 1954), Ich war ein häßliches Mädchen (Liebeneiner, 1955), Unternehmen Schlafsack (Rabenalt, 1955), tegenover Maj-Britt Nilsson in de Zweeds-Duitse coproductie Sommarflickan/Schwedenmädel/Rendez-vous in Zweden (Håkan Bergström en Thomas Engel, 1955), Dunja (Josef von Báky, 1955), de titelrol in Die Ehe des Dr. med. Danwitz (Rabenalt, 1956), voor de tweede maal tegenover Schneider in Kitty und die große Welt (Alfred Weidenmann, 1956),
Nina (tegenover Anouk Aimée; Rudolf Jugert, 1956), Blaue Jungs (top-billed; Wolfgang Schleif, 1957) en Das Schloß in Tirol (top-billed; Géza von Radványi, 1957). Tegenover Serge Reggiani, Arletty en Martine Carol maakte Böhm zijn Engelstalige debuut in de Australisch-Franse coproductie The Stowaway/Le passager clandestin (Ralph Habib en Lee Robinson, 1958). Daarna Man müßte nochmal zwanzig sein/Alles voor Susanne (top-billed; Hans Quest, 1958), Das haut einen Seemann doch nicht um (top-billed; Rabenalt, 1958),  top-billed als Franz Schubert in Das Dreimäderlhaus (Marischka, 1958),
Kriegsgericht (top-billed; Kurt Meisel, 1959), La Paloma (Paul Martin, 1959), tegenover Jayne Mansfield en Christopher Lee in Too Hot to Handle (Terence Young, 1960), Der Gauner und der liebe Gott (Axel von Ambesser, 1960), The Four Horsemen of the Apocalypse (Vincente Minnelli, 1962), La croix des vivants (top-billed; Ivan Govar, 1962), tegenover Laurence Harvey in The Wonderful World of the Brothers Grimm (Henry Levin en George Pal, 1962),
Come Fly with Me (Levin, 1963), Rififi à Tokyo (top-billed; Jacques Deray, 1963), L’heure de la vérité (top-billed; Henri Calef, 1963), The Venetian Affair (Jerry Thorpe, 1967) en Schloß Hubertus (Harald Reinl, 1973). Na het verliezen van een weddenschap in het tv-programma Wetten daß richtte hij in 1981 de liefdadigheidsorganisatie Menschen für Menschen op, die vooral hulp bood in Ethiopië; dat land maakte hem in 2003 ereburger.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen