28 maart 2014

Birgitta Valberg


97, Lidingö (prov. Stockholm), 28 maart, natuurlijke dood

Zweeds actrice. Was zeer lang (1940-96) verbonden aan het Stockholmse toneelgezelschap Dramaten, waar ook Ingmar Bergman regisseerde. Speelde rollen in een aantal van Bergmans films, met name tegenover Max von Sydow als de moeder in het met een Oscar bekroonde Jungfrukällan/The Virgin Spring/De maagdenbron (1960), maar ook in Hamnstad/Port of Call/Havenstad (1948), Sommarnattens leende/Smiles of a Summer Night/Glimlach van een zomernacht (1955), Skammen/Shame (1968) en het door Bergman geproduceerde Paradistorg/Paradise Place (Gunnel Lindblom, 1977).
Ook was Valberg de grootmoeder in het door Bergman geschreven en door zijn zoon geregiseerde Söndagsbarn/Sunday’s Children (Daniel Bergman, 1992). Ze debuteerde op 17-jarige leeftijd (als Britta Valberg) in Unga hjärtan/Jonge harten (Per-Axel Branner, 1934). Bekendste overige films: Livet på landet/Landleven (Bror Bügler, 1943), Frånskild/Divorced (Bergman coscenarist; Gustaf Molander, 1951),  Barabbas (Alf Sjöberg, 1953), Flottans glada gossar/Happy Lads of the Fleet (Rolf Husberg, 1954), Taxi 13 (Börje Larsson, 1954), als de koningin-moeder in Karin Månsdotter (Sjöberg, 1954), als invalide in de thriller Farligt löfte (Håkan Bergström, 1955), Ratataa (Hasse Ekman, 1956), Sista natten (Larsson, 1956), als secretaresse in Fröken April (Göran Gentele, 1958), een cameo in Älskarinnan/The Swedish Mistress (Vilgot Sjöman, 1962), Svenska bilder (Tage Danielsson, 1964), als dokter in Prinsessan (Åke Falck, 1966), Som natt och dag/Zusters op drift (Jonas Cornell, 1969), als de moeder van Bibi Andersson in Storia di una donna (Leonardo Bercovici, 1970), de wereldhit Mannen på taket/Man on the Roof/De man op het dak (naar Sjöwall & Wahlöö; Bo Widerberg, 1976) en Peter och Petra (naar Astrid Lindgren; Agneta Elers-Jarleman, 1989).

17 maart 2014

Oswald Morris


98, Fontmell Magna (Dorset), 17 maart, natuurlijke dood

Engels cameraman. Begonnen als clapper boy in 1932, via positie van operator bij zogeheten quota quickies (goedkope B-films) naar de status van een van de beste directors of photography ter wereld. Won slechts 1 Oscar, voor Fiddler on the Roof/Anatevka (Norman Jewison, 1971) en werd genomineerd voor twee andere filmmusicals: Oliver! (Carol Reed, 1968) en The Wiz (Sidney Lumet, 1978). Hoewel Ossie Morris zijn reputatie mede dankte aan geraffineerd kleurgebruik, won hij drie jaar achter elkaar de BAFTA voor fotografie van zwart-witfilms: The Pumpkin Eater (Jack Clayton, 1964), The Hill (Lumet, 1965) en The Spy Who Came In from the Cold (Martin Ritt, 1965). Draaide acht tot negen films van regisseur John Huston: Moulin Rouge (1952), Beat the Devil (1953), Moby Dick (1956), Heaven Knows, Mr. Allison (1957), A Farewell to Arms (officieel Charles Vidor, 1957), The Roots of Heaven (1958),  Reflections in a Golden Eye (officieel gedraaid door Aldo Tonti, met Elizabeth Taylor; 1967), The MacKintosh Man (1973) en The Man Who Would Be King (1975).
Debuteerde als DoP met Golden Salamander (Ronald Neame. 1950). Voorts films als Circle of Danger (Jacques Tourneur, 1951), The Card (Neame, 1952), So Little Time (Compton Bennett, 1952), Saturday Island (eerste in kleur; Stuart Heisler, 1952), South of Algiers (Jack Lee, 1953), Monsieur Ripois (René Clément, 1954), Beau Brummell (met Taylor; Curtis Bernhardt, 1954), The Man Who Never Was (Neame. 1956), The Key (Reed, 1958), het grimmige gootsteenrealisme van Look Back in Anger (Tony Richardson, 1959), Our Man in Havana (Reed, 1959), The Entertainer/De humorist (Richardson, 1960), The Guns of Navarone (7 Oscarnominaties, niet voor camera; J. Lee Thompson, 1961), Satan Never Sleeps (Leo McCarey, 1962), Lolita (Stanley Kubrick, 1962),
Term of Trial (Peter Glenville, 1962), Come Fly with Me (Henry Levin, 1963), The Ceremony (Laurence Harvey, 1963), Of Human Bondage (gedeeltelijk; Ken Hughes, 1964), The Battle of the Via Fiorita (Delmer Daves, 1965), Life at the Top (Ted Kotcheff. 1965), Stop the World: I Want to Get Off (Philip Saville, 1966), The Taming of the Shrew (met Taylor; Franco Zeffirelli, 1967), Great Catherine (Gordon Flemyng, 1968), Goodbye, Mr. Chips (Herbert Ross, 1969), Fragment of Fear (Richard C. Sarafian, 1970), Scrooge (Neame, 1970), Lady Caroline Lamb (Robert Bolt, 1972), Sleuth (Joseph L. Mankiewicz, 1972), Dracula (Dan Curtis, 1974), The Odessa File (Neame, 1974), de Bond-film The Man with the Golden Gun (Guy Hamilton, 1974). The Seven-Per-Cent Solution (Ross, 1976), Equus (Lumet, 1977), Just Tell Me What You Want (Lumet, 1980), The Great Muppet Caper (Jim Henson, 1981) en The Dark Crystal (Henson en Frank Oz, 1982). Jongere broer Reginald H. Morris was ook cameraman, bij voorbeeld van Phobia (Huston, 1980) en Porky’s (Bob Clark, 1982).

03 maart 2014

Mat van Hensbergen


75, Haarlem, 3 maart, plotseling

Nederlands cameraman. Een van de eerste afgestudeerden aan de Nederlandse Film Academie die vooral school zou maken met zijn werk voor televisieproducties. Hij liet zich overhalen door AVRO-regisseur Roelof Kiers, die in Amerika op bezoek was geweest bij direct cinema-pionier Richard Leacock, om een Eclair lichtgewicht 16mm-camera te kopen. Samen maakten ze voor de AVRO een van de schouder gedraaide reeks documentaire portretten van markante Nederlanders, die beschouwd worden als de start van de Nederlandse direct cinema: Cornelis Verolme, scheepsbouwer (1967), H. Koekoek (1966) en W.J. Geertsema (1967). Van Hensbergen vertelt over deze samenwerking in het documentaire portret dat Cherry Duyns na de dood van zijn vriend en collega Kiers maakte: De maker (1994). Nadat Kiers en KRO-regisseur Hans Keller in 1969 naar de VPRO waren overgestapt, waar Jan Blokker een nieuwe wind liet waaien, ging Van Hensbergen ook mee. Hij draaide onder  meer tv-documentaires als Er gaat iedere dag een boot (Keller, 1969), Overal zijn indianen (over België als het Wilde Westen; Keller. 1970), Twee weken in een ander stadje (Keller, 1971) en Anthony Imperiale (Keller, 1971).
Na de uiterst geraffineerde fakedocumentaire Identity (Jan Vrijman, 1971) vroeg Pieter Verhoeff Van Hensbergen voor zijn VPRO-mockumentary Rudy Schokker huilt niet meer  (1972), Ze draaiden het procedé om in In het voetspoor van Athanasius Kircher (Verhoeff en Anton Haakman, 1974), een non-fictiefilm die om verwarring te wekken expres gedraaid en  gedecoupeerd was als een speelfilm. Ook werkte Van Hensbergen meer aan het eerste seizoen van het legendarische VPRO-magazine Het gat van Nederland (1972-73), een aflevering van de minder succesvolle opvolger Zorgvliedt (Citaten uit het calvinisme, Theo Uittenbogaard, 1974) en de gedramatiseerde tv-documentaires De bewakers (Verhoeff, 1977) en De strijd om de stad (Verhoeff, 1978). Naast zijn baanbrekende televisiewerk draaide Van Hensbergen ook een uiterst breed scala aan filmproducties. Hij stond mede aan de wieg van Scorpio Filmproducties, waarvoor hij de korte films Jongens, jongens, wat een meid (samen met Gerard van den Berg; Pim de la Parra, 1965) en Heart Beat Fresco (De la Parra, 1966) draaide, alsmede de lange film Liefdesbekentenissen (Wim Verstappen, 1967). Ook was hij ‘second unit operator’ bij Scorpio’s grootste hit, Blue Movie (Verstappen, 1971). Zijn eerste lange speelfilm was De verloedering van de Swieps (Erik Terpstra, 1967). Vervolgens verantwoordelijk voor het camerawerk van onder meer de festivaldocumentaire over Kralingen Stamping Ground (als een van de 9 cameralieden; Hans Jürgen Pohland en George Sluizer, 1970), de korte documentaire De snelheid 40/70 (Johan van der Keuken, 1970), de korte documentaire over choreograaf Rudi van Dantzig The Making of a Ballet (Vrijman, 1972), De 5 van de 4 daagse (René van Nie, 1974), de korte films Grote Klaas en kleine Klaas (Verhoeff, 1974) en Meisje van 13 (Vrijman, 1974),  Kind van de zon (Van Nie, 1975),
de lange documentaire Circusmensen (Vrijman, 1975), It’s Me (Frans Zwartjes, 1976), de Werkteater-productie Toestanden (Thijs Chanowski, 1976), drie afleveringen van de tv-rubriek Beeldspraak van regisseur Kees Hin (Jan Roeland en de tafel, Armando en het gevecht en Marga Minco en de vragen, 1976-77), Doodzonde (Van Nie, 1978), De Mantel der Liefde (Adriaan Ditvoorst, 1978), Twee vrouwen/Twice a Woman (Sluizer, 1979), de tv-film Voorbij, voorbij (Paul Verhoeven, 1979), Het teken van het beest (Verhoeff, 1980), de korte documentaires Mondriaan in New York (Piet Hoenderdos, 1980) en Five Scenes in New York (Hoenderdos, 1982),
het André van Duin-vehikel Ik ben Joep Meloen (Guus Verstraete jr., 1981), Sabine (Van Nie, 1982), de korte experimentele fictiefilm De afstand tot dichterbij (Barbara Meter, 1982), nog een viertal Beeldspraak-afleveringen (HIn, 1983), Soldaten zonder geweren (Hin, 1985), de speelfilm De deur van het huis (Heddy Honigmann en Angiola Janigro, 1985), In het voorbijgaan (samen met Gerard Holthuis; Meter, 1985), Windschaduw (Frans van de Staak, 1986), De laatste reis (Hin, 1987), de korte opdrachtfilm Wadden boven water (Hin, 1988) en de documentaire Cobra, een opstand tegen de orde (Vrijman, 1990). Van Hensbergen regisseerde en draaide enkele kunstenaarsportretten voor de Humanistische Omroep: Jan Wolkers, beeldend kunstenaar, schrijver (1993), Karel Appel – If I Were a Bird (tevens scenario en productie; 1995) en Frans Zwartjes, filmmaker (tevens scenario; 1998). Een van de getuigen in de documentaire De werkelijkheid van Jan Vrijman (Fabie Hulsebos, 2006). In 1994 maakte Van Hensbergen deel uit van de jury voor de Gouden Kalveren.

26 februari 2014

Paco de Lucía


66, Playa del Carmen (Quintana Roo, Mexico), 26 februari, hartaanval

Spaans gitarist, componist en gelegenheidsacteur, pseudoniem van Francisco Sánchez Gómez. Virtuoos muzikant en vernieuwer van de flamencomuziek. Schreef de soundtrack voor enkele films: La Sabina (José Luis Borau, 1979), de flamencoversie van Carmen (tevens hoofdrol; Carlos Saura, 1983), de in Spanje opgenomen misdaadfilm The Hit (Stephen Frears, 1984),
Sangre y arena/Blood and Sand (met Sharon Stone; Javier Elorrieta, 1989) en Montoyas y Tarantos (Vicente Escrivá, 1989). Ook werd muziek van De Lucía gebruikt op soundtracks van films als Deprisa, deprisa (Saura, 1981), The Life Aquatic of Steve Zissou (Wes Anderson, 2004) en Vicky Cristina Barcelona (Woody Allen, 2008). Ook was hij als gitarist op de veranda te zien in de nabij Almería gedraaide western Hannie Caulder (Burt Kennedy, 1971), maar ook als zichzelf in Sevillanas (Saura, 1992), Flamenco (Saura, 1995), Flamenco, Flamenco (Saura, 2010) en enkele documentaires.

24 februari 2014

Harold Ramis


69, Chicago, 24 februari, systeemvasculitis (auto-immuunziekte)

Amerikaans acteur, scenarioschrijver, regisseur en producent. Voormalig redacteur humor van Playboy Magazine, trad op als komiek in Chicago’s improvisatietheater Second City en vervolgens in New York in de satirische National Lampoon Show, samen met andere Second City-sterren als John Belushi, Gilda Radner en Bill Murray. Schreef zijn eerste filmscript samen met Douglas Kenney en Chris Miler, voor de superhit National Lampoon’s Animal House (John Landis, 1978). Regiedebuut met de Chevy Chase-komedie Caddyshack (tevens scenario; 1980). Zijn acteerdebuut in film maakte hij tegenover Murray, als twee vrienden die uit verveling het leger ingaan, in Stripes (tevens scenario; Ivan Reitman, 1981). 
Zijn grootste roem zou Ramis oogsten als een van de drie Ghostbusters (tegenover Murray en Dan Aykroyd, tevens scenario; Reitman, 1984) en als regisseur, producent en co-auteur van de culthit Groundhog Day (1993). Overige films: Meatballs (alleen scenario; Reitman, 1979), National Lampoon’s Vacation (alleen regie, 1983), het Rodney Dangerfield-vehikel Back to School (scenario en productie; Alan Metter, 1986), Club Paradise (scenario en regie, 1986), Armed and Dangerous (alleen scenario; Mark L. Lester, 1986), Baby Boom (alleen acteur; Charles Shyer, 1987), Caddyshack II (scenario; Allan Arkush, 1988), Stealing Home (alleen acteur; Steven Kampmann en Will Aldis, 1988), Ghostbusters II (scenario en acteur; Reitman, 1989), Airheads (alleen bijrol; Michael Lehmann, 1994), Love Affair (acteur; Glenn Gordon Caron, 1994), Stuart Saves His Family (regie, 1995), Multiplicity (productie en regie, 1996),  As Good as It Gets (alleen bijrol; James L. Brooks, 1997), Analyze This (scenario en regie, 1999) en het vervolg Analyze That (scenario en regie, 2002),
de remake van Bedazzled (productie, regie en scenario, 2000), Orange County (alleen bijrol; Jake Kasdan, 2002), I’m with Lucy (alleen bijrol; Jon Sherman, 2002), The Ice Harvest (regie, 2005), The Last Kiss (alleen acteur; Tony Goldwyn, 2006),  Knocked Up (alleen bijrol als Seth Rogens vader; Judd Apatow, 2007), Walk Hard: The Dewey Cox Story (alleen bijrol; Kasdan, 2007), Year One (scenario, coproductie, cameo en regie, 2009) en 4 afleveringen van de Amerikaanse remake van de tv-serie The Office (regie, 2006-10).


21 februari 2014

Georgette Rejewski


104, Middenbeemster, 21 februari, natuurlijke dood

Belgisch actrice en spraaklerares, sinds jaren 30 in Nederland. Russische vader, ook gespeld als Reyevski of Rejewsky. Vanaf 1932 op de planken (revue De Bonte Parade), bij gezelschappen Het Masker (1933-42), Rotterdams Toneel (1947-54) en als de moeder van professor Higgins in My Fair Lady (1960-63). Ook veel televisie, bij voorbeeld als oma in de sitcom Zeg ‘ns AAA (1983-93). Enkele filmrollen: Vandaag of morgen (Roeland Kerbosch, 1976), A Bridge Too Far (Richard Attenborough, 1977), Dokter Vlimmen (Guido Pieters, 1978), Twee vorstinnen en een vorst (Otto Jongerius, 1981) en De nieuwe moeder (Paula van der Oest, 1996). Doceerde onder meer aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie.

16 februari 2014

Jimmy T. Murakami


80, Dublin, 16 februari, doodsoorzaak onbekend

Amerikaans (animatie)regisseur en -producent, eigenlijk Teruaki Murakami. Won een Oscar als producent van de korte animatiefilm The Pear Tree (Charles Swenson, 1968). Regisseerde zelf verschillende animatiefilms, waarvan twee naar een boek van illustrator Raymond Briggs, het korte The Snowman (1982) en het lange When the Wind Blows (1986), beide met medewerking van David Bowie.
Werkte als animator aan verschillende producties, ook in Engeland en bij Toei in Japan, maar eindigde in Ierland. Debuteerde als Teru Murakami met het korte The Top (1964), geproduceerd samen met zijn zakenpartner Fred Wolf. Voorts de korte animatiefilms The Insects (BAFTA-nominatie; 1964), Breath (Grand Prix Annecy; 1967), Passing (1975), Death of a Bullet (1979), Dream Express (voor de EXPO in Osaka; 1990), het Belgisch-Hongaarse Het lustige kapoentje/The Cheerful Rascal (samen met Csaba Varga; 1992) en het segment van De parelvissers in de tv-omnibus Opéra imaginaire (1993). Ook regisseerde hij twee lange animatiefilms voor video, The Easter Story Keepers (1998) en The Christmas Story Keepers (1998), beide gebaseerd op de door Murakami gesuperviseerde tv-serie The Story Keepers (1995-97).
Ook regisseerde Murakami enkele lange live-action films: voor Roger Corman, bij wie hij de second unit leidde van Von Richthofen and Brown (1971): een door John Sayles geschreven remake van The Magnificent Seven, gesitueerd in outer space onder de titel Battle beyond the Stars (198O) en zonder credit  Humanoids from the Deep/Diepzee Monsters (officieel Barbara Peeters, 1980), alsmede de door animator Piet Kroon geschreven gedeeltelijk live-actionproductie Christmas Carol: The Movie (2001). Produceerde met Wolf de immens populaire tv-serie Teenage Mutant Ninja Turtles (1989). Hoofdpersoon van de documentaire Jimmy Murakami - Non Alien (Sé Merry Doyle, 2010), over zijn internering tijdens de Tweede Wereldoorlog, als in Californië geboren Amerikaan van Japanse afkomst.