07 januari 2015

Rod Taylor


84, Los Angeles, 7 januari, hartaanval

Australisch steracteur, voluit Rodney Sturt Taylor. Vooral actief in Hollywood, bij voorbeeld als de uitvinder in The Time Machine (voor het eerst top-billed; George Pal, 1960) of in de mannelijke hoofdrol tegenover Tippi Hedren in The Birds (Alfred Hitchcock, 1963).
Robuuste en viriele filmheld, die zijn carrière begon als etaleur en hoorspelacteur. Hij maakte zijn filmdebuut als een Amerikaan in de Australische productie King of the Coral Sea (Lee Robinson, 1953). Daarna onder meer in Long John Silver (Byron Haskin, 1954), voor het eerst in Hollywood met een piepklein rolletje in The Virgin Queen (Henry Koster, 1955), in de low-budgetwestern Top Gun (Ray Nazarro, 1955), Hell on Frisco Bay/Jacht zonder genade (Frank Tuttle, 1955), World without End (Edward Bernds, 1956), The Catered Affair (Richard Brooks, 1956), als Sir David Karfrey in Giant (George Stevens, 1956), zonder credit in The Rack (tegenover Paul Newman; Arnold Laven, 1956), Raintree County/De goudenregen van het geluk (Edward Dmytryk, 1957), Step Down to Terror (Harry Keller, 1958), Separate Tables (Delbert Mann, 1958), Ask Any Girl (Charles Walters, 1959), La regina delle Amazzoni/Colossus and the Amazon Queen (top-billed; Vittorio Sala, 1960), als Sir Francis Drake in Il dominatore dei 7 mari/Seven Seas to Calais (top-billed; Rudolph Maté en Primo Zeglio, 1962),
The V.I.P.s (Anthony Asquith, 1963), tegenover Rock Hudson in A Gathering of Eagles/Alarm voor squadron 904! (Mann, 1963), tegenover Jane Fonda in Sunday in New York (Peter Tewskbury, 1963), Fate is the Hunter (Ralph Nelson, 1964), 36 Hours (George Seaton, 1964), top-billed in de titelrol van Young Cassidy (Jack Cardiff, 1965), The Liquidator/Code nummer L (top-billed; Cardiff, 1965), tegenover Doris Day in Do Not Disturb/Gelieve niet te storen (Ralph Levy, 1965) en The Glass Bottom Boat (Frank Tashlin, 1966), top-billed in Hotel (Richard Quine, 1967), de titelrol van Chuka (top-billed, tevens productie; Gordon Douglas, 1967),
The Mercenaries (top-billed; Cardiff, 1968), top-billed tegenover Christopher Plummer in Nobody Runs Forever (Ralph Thomas, 1968), The Hell with Heroes (top-billed tegenover Claudia Cardinale; Joseph Sargent, 1968), Zabriskie Point (Michelangelo Antonioni, 1970), Darker than Amber/Moorden in crescendo (top-billed; Robert Clouse, 1970), The Man Who Had Power over Women (top-billed; John Krish, 1970), tegenover John Wayne in The Train Robbers (Burt Kennedy, 1973), Gli eroi/The Heroes (Duccio Tessari, 1973), Trader Horn (top-billed; Reza Badiyi, 1973), Partizani/Partisan Captain/Moordend spervuur (top-billed; Stole Jankovic, 1974) en top-billed tegenover Bibi Andersson in Blondy/Vortex/Germicide (Sergio Gobbi, 1976). Terug in Australië speelde Taylor een hoofdrol in The Picture Show Man (John Power, 1977), over een rondreizende filmvertoner.
Daarna nog in The Treasure Seekers (top-billed, tevens scenario; Henry Levin, 1979), het deels in Nederland opgenomen Seven Graves for Rogan/A Time to Die (Matt Cimber en Joe Tornatore, 1982), het in Australië gedraaide On the Run (top-billed; Mende Brown, 1983), top-billed in Marbella, un golpe de cinco estrellas (tegenover Britt Ekland; Miguel Hermoso, 1985), het Zweeds-Canadese Mask of Murder (top-billed; Arne Mattsson, 1988), The Point of Betrayal (top-billed; Richard Martini, 1995), het Australische Welcome to Woop Woop (Stephan Elliott, 1997), Kaw (Sheldon Wilson, 2007) en ten slotte als Winston Churchill in Inglourious Basterds (Quentin Tarantino, 2009). Veel televisie, onder meer in de soap Falcon Crest (1988-90).




21 december 2014

Billie Whitelaw


82, Londen-Northwood, 21 december, natuurlijke dood

Engels actrice. In het theater vooral bekend als vertolker van het werk van Samuel Beckett, die haar “de volmaakte actrice’ noemde en de enige rol liet spelen in zijn korte film Not I (1973). Door een breder publiek herinnerd als de duivelse gouvernante in The Omen (Richard Donner, 1976) en tal van andere, ook minder angstaanjagende filmrollen. BAFTA voor beste bijrolactrice in twee films, Charlie Bubbles (Albert Finney, 1967) en Twisted Nerve (Roy Boulting, 1968).
Vanaf haar elfde op de radio te horen, filmdebuut in The Fake (Godfrey Grayson, 1953). Voorts onder meer The Sleeping Tiger (Joseph Losey, 1954), Miracle in Soho (Julian Amyes, 1957), Small Hotel (David MacDonald, 1957), Carve Her Name with Pride (Lewis Gilbert, 1958), Breakout (Peter Graham Scott, 1959), Bobbikins (Robert Day, 1959), The Flesh and the Fiends (John Gilling, 1960), Hell Is a City (Val Guest, 1960), Make Mine Mink (Robert Asher, 1960), Payroll (Sidney Hayers, 1961), No Love for Johnnie (Ralph Thomas, 1961), Mr. Topaze (Peter Sellers, 1961), The Devil’s Agent (John Paddy Carstairs, 1962), The Comedy Man (Alvin Rakoff, 1964), The Adding Machine (Jerome Epstein, 1969), als koningin Marie Antoinette in Start the Revolution without Me (Bud Yorkin, 1970),
tegenover Marcello Mastroianni in Leo the Last (John Boorman, 1970), Gumshoe (Stephen Frears, 1971), Eagle in a Cage (Fielder Cook, 1972), Frenzy (Alfred Hitchcock, 1972), tegenover Elizabeth Taylor in Night Watch (Brian G. Hutton, 1973), Leopard in the Snow (Gerry O’Hara, 1978), top-billed in An Unsuitable Job for a Woman (Christopher Petit, 1982), Slayground (Terry Bedford, 1983), The Chain (Jack Gold, 1984), Murder Elite (Claude Whatham, 1985), Maurice (James Ivory, 1987), The Dressmaker (Jim O’Brien, 1988), The Krays (Peter Medak, 1990), Deadly Advice (Mandie Fletcher, 1994), Jane Eyre (Franco Zeffirelli, 1996), The Lost Son (Chris Menges, 1999), Quills (Philip Kaufman, 2000) en Hot Fuzz (Edgar Wright, 2007). Leende haar stem onder meer aan The Water Babies (Lionel Jeffries, 1978) en Aughra in The Dark Crystal (Jim Henson en Frank Oz, 1982). Jurylid in Berlijn (1970). Gescheiden van acteur Peter Vaughan, weduwe van schrijver en toneelcriticus Robert Muller.

09 december 2014

Mary Ann Mobley


77, Beverly Hills, 9 december, borstkanker

Amerikaans schoonheidskoningin en film- en televisieactrice. Eerste Miss America uit Mississippi (1959). Tekende een contract bij MGM, dat haar vooral liet optreden in tv-series, Filmdebuut als ster (tegenover Nancy Sinatra) van de beach party film Get Yourself a College Girl (Sidney Miller, 1964). Daarna in twee Elvis-vehikels, met een kleinere rol in Girl Happy (Boris Sagal, 1965) en als belangrijkste tegenspeelster in Harum Scarum (Gene Nelson, 1965).
Daarna in de gangsterfilm Young Dillinger (Terry Morse, 1965), tegenover Jerry Lewis en Janet Leigh in Three on a Couch (Lewis, 1965), The King’s Pirate (Don Weis, 1967) en in de komedie For Singles Only (Arthur Dreifuss, 1968). Heel veel tv-werk. Getuige in de documentaire The Definitive Elvis: The Hollywood Years Part II 1962-1969 (Eduardo Eguia Dibildox, 2002). Weduwe van acteur Gary Collins.

26 november 2014

Sabah


87, Beiroet, 26 november, na een lange ziekte

Libanees zangeres en actrice, pseudoniem van Jeanette Gergis al-Feghali, ook wel Sabah Fighali. Een van de grote diva’s van de Arabische popmuziek en filmindustrie, die ook optrad in de Olympia (Parijs) en Carnegie Hall (New York). Afkomstig uit christelijke familie. Had verschillende bijnamen, waarvan al Shahroura (het zangvogeltje) de bekendste was. Een televisiefilm over haar leven, Al Shahroura (met Carole Samaha in de titelrol; 2011), trok tijdens de ramadan vele miljoenen kijkers. Trad vanaf haar elfde op in meer dan 100, veelal Egyptische films, te beginnen met El sa’a saba/The Clock Strikes Seven (Togo Mizrahi, 1938). Eerste grote sterrol in El-qalb lou wahid/The Heart Has Reasons (Henry Barakat, 1945) als het personage Sabah (‘ochtend’ ) dat haar naam zou blijven. Een kleine greep uit de bekendste films: El Ataba el khadra/Ataba Square (Fatin Abdel Wahab, 1959), El rajul el thani/My Second Husband (Ezzel Dine Zulficar, 1960), Gouzi marat/Jaoz marti/My Wife’s Husband (Niazi Mostafa, 1961), El aydi el naema./Soft Hands (tegenover Maryam Fakhr al Din; Mahmoud Zulfikar, 1964),
  Nar eshawk/Nar al Souq/The Fire of Belonging (tegenover haar dochter Houweida; Muhammed Salem, 1970) en Laila baka feha el Qamar (Ahmed Yehia, 1980). Laatste rol: een cameo in de Libanese film Bosta (Philippe Aractingi, 2005). Acht huwelijken, waarvan er een slechts drie dagen duurde (1967), met haar grote liefde, acteur Roshdy Abaza. 

14 november 2014

Glen A. Larson


77, Santa Monica, 14 november, slokdarmkanker

Amerikaans televisieproducent. Bedenker, producent en vaak ook schrijver van groot aantal populaire series. Omdat die vaak afgeleid waren van bioscoophits (zonder bronvermelding), verwierf hij hier en daar de bijnaam ‘ Glen Larceny’. Een van de opmerkelijkste producties was wel de serie Battlestar Galactica (1978-79) en het vervolg Galactica 1980, een mormoonse variant op thema’s uit Star Wars. In Europa verschenen compilatieversies in de bioscoop, als Battlestar Galactica (gebaseerd op de pilot; Richard A. Colla, 1979) en Mission Galactica: The Cylon Attack (Christian I. Nyby II en Vince Edwards, 1979), net als van zijn serie Buck Rogers in the 25th Century (Daniel Haller, 1979). Andere bekende door Larson geproduceerde series zijn Alias Smith and Jones (vrij naar Butch Cassidy and the Sundance Kid; 1971-72), McCloud (vrij naar Coogan’s Bluff; 1970-77), Knight Rider (1982-86), en Magnum, P.I. (1980-88). Begon zijn loopbaan in 1956 als lid van de zanggroep The Four Preps. Lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (mormoon).

12 november 2014

Warren Clarke


67, Londen, 12 november, na een korte ziekte

Engels acteur, eigenlijk Alan Clarke. Robuust acteur met Noord-Engels accent, geboren in Lancashire en opgegroeid in Manchester. Werkte vooral veel voor televisie, met name als de bokkige rechercheur Andy Dalziel in de serie Dalziel and Pascoe (1996-2007). Ook vaak als Oost-Europeaan. Eerste grote bekendheid als Dim, de dikkige adjudant van Malcolm McDowell in A Clockwork Orange (Stanley Kubrick, 1971).
Filmdebuut in The Virgin Soldiers/Man worden in Malakka (John Dexter, 1969). Ook in films als Antony and Cleopatra (Charlton Heston, 1972), O Lucky Man! (Lindsay Anderson, 1973), The Great Riviera Bank Robbery (Francis Megahy, 1979), Hawk the Slayer (Terry Marcel, 1980), de biografie van paus Johannes Paulus II From a Far Country (Krzysztof Zanussi, 1981), de bioscoopversie van de tv-serie Masada (Boris Sagal, 1981), Firefox (Clint Eastwood, 1982), Enigma (Jeannot Szwarc, 1983), Lassiter (Roger Young, 1984), als kolonel Von Horst in Top Secret! (David Zucker, Jim Abrahams en Jerry Zucker, 1984), het Deense De flyvende djævle/Flying Devils (Anders Refn, 1985), de megaflop Ishtar (Elaine May, 1987), Crusoe (Caleb Deschanel, 1988), I.D. (Philip Davis, 1995), Greenfingers (Joel Hershman, 2000), Blow Dry (Paddy Breathnach, 2001) en Arthur’s Dyke (Gerry Poulson, 2001). Op tv onder veel meer in Coronation Street (1965-68), The Onedin Line (1978), The Jewel in the Crown (1984) en The House of Windsor (1994).

09 november 2014

Jacques Saulnier


86, Parijs, 9 november, natuurlijke dood
Frans decorontwerper. Wekte zes decennia samen met regisseur Alain Resnais, te beginnen met zijn zelfstandig debuut als chef-decorontwerper, de klassieker L’année dernière à Marienbad (1961), waarin de labyrintische locaties en decors bijna de hoofdrol vertolken. Won drie Césars, voor Providence (Resnais, 1977), Un amour de Swann (Volker Schlöndorff, 1984) en Smoking/No Smoking (Resnais, 1993).
Nog zeven andere César-nominaties voor decors: I…comme Icare (Henri Verneuil, 1979), Mon oncle d’ Amérique (Resnais, 1980), La vie est un roman (Resnais, 1983), Mélo (Resnais, 1986), On connaît la chanson (Resnais, 1997), Pas sur la bouche (Resnais, 2003) en Coeurs (Resnais, 2006). Opgeleid aan de filmschool IDHEC en assistent van de legendarische filmontwerper Alexandre Trauner. Werkte aanvankelijk samen met Bernard Evein aan films als Les cousins (Claude Chabrol, 1958) en À double tour (Chabrol, 1959). Belangrijkste overige titels: Le farceur (Philippe de Broca, 1961), La morte-saison des amours (Pierre Kast, 1961), Vu du pont/A View from the Bridge (Sidney Lumet, 1962), L’éducation sentimentale (Alexandre Astruc, 1962), Landru (Chabrol, 1963), Muriel ou le temps d’un retour (Resnais, 1963), What’s New Pussycat? (Clive Donner, 1965), La vie de château (Jean-Paul Rappeneau, 1966), La guerre est finie (Resnais, 1966), Mademoiselle (Tony Richardson, 1966),
Le voleur (Louis Malle, 1967), Ho! (Robert Enrico, 1968), La prisonnière (Henri-Georges Clouzot, 1968), Le clan des Siciliens (Verneuil, 1969), La horse (Pierre Granier-Deferre, 1970), Le chat  (Granier-Deferre, 1971), La veuve Couderc (Granier-Deferre, 1971), Le casse (Verneuil, 1971), Le fils (Granier-Deferre, 1973), Le serpent (Verneuil, 1973), Le train (Granier-Deferre, 1974), Stavisky… (Resnais, 1974), French Connection II (John Frankenheimer, 1975), Va voir maman, papa travaille (François Leterrier, 1978), Chanel Solitaire (George Kaczender, 1981), Mille milliards de dollars (Verneuil, 1982), L’amour à mort (Resnais, 1984), I Want to Go Home (Resnais, 1989), Les herbes folles (Resnais, 2009), Vous n’avez encore rien vu (Resnais. 2012) en Aimer, boire et chanter (Resnais, 2014).