19 september 2014

Audrey Long


92, Virginia Water (Surrey), 19 september, doodsoorzaak onbekend

Amerikaans filmactrice van Engelse afkomst, ster van B-films. Aanvankelijk onder contract bij Warner Bros., maar officieel debuut in de Universal-film Eagle Squadron (Arthur Lubin, 1942). Na nog wat edelfiguratie kreeg Long hoofdrollen in B-films van onafhankelijke productiemaatschappijen als RKO, Monogram en Republic: A Night of Adventure (Gordon Douglas, 1944), tegenover John Wayne in Tall in the Saddle (Edwin L. Marin, 1944), Pan-Americana (John Auer, 1945), Wanderer of the Wasteland (Wallace Grissell en Edward Killy, 1945), A Game of Death (Robert Wise, 1945), Perilous Holiday (Edward H. Griffith, 1946), Born to Kill (Wise, 1947), Desperate (Anthony Mann, 1947), Rodeo in Texas (Lew Landers, 1948),  de Tsjaikowski-bio Song of My Heart (Benjamin Glazer, 1948), Perilous Waters (Jack Bernhard, 1948), Stage Struck (William Nigh, 1948), Miraculous Journey (Peter Stewart alias Sam Newfield, 1948), Homicide for Three (George Blair, 1948), Duke of Chicago (Blair, 1949), Air Hostess (voor Columbia; Landers, 1949), Post Office Investigator (top-billed; Blair, 1949), Alias the Champ (Blair, 1949),
Trial without Jury (Philip Ford, 1950), David Harding, Counterspy (Columbia; Ray Nazarro, 1950), The Petty Girl/Een meisje van duizend weken (Columbia; Henry Levin, 1950), Blue Blood (Landers, 1951), Insurance Investigator (Blair, 1951), Cavalry Scout (Lesley Selander, 1951), Sunny Side of the Street (Columbia; Richard Quine, 1951) en Indian Uprising (Nazarro, 1952). Gescheiden van Leslie Charteris, de auteur van een lange reeks boeken over The Saint.

04 september 2014

Ralph Wingens


71, Amsterdam, 4 september, doodsoorzaak onbekend

Nederlands acteur, voluit Ralf Jozef Arnold Wingens. In Roermond geboren, opgeleid in Antwerpen aan Studio Herman Teirlinck. Speelde veelal absurdistische rollen bij verschillende theatergezelschappen: Nationaal Toneel van België, Studio, De Horde, Orkater en ook bij zijn eigen compagnie Dzjatsh (samen met Peer Mascini). Enkele hoofdrollen in onafhankelijke, kleine filmproducties: als door de Eerste Wereldoorlog geobsedeerde ex-huurling en echtgenoot van Loes Luca in Het veld van eer (Bob Visser, 1983), Plan Delta (top-billed; Visser, 1986), Wij heten allen Naaktgeboren (top-billed; Dick Verdult, 1990). Kleinere rollen in films als Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (als ‘schoft’ naast  Mascini in het segment De smalle oude man, Guido Pieters, 1975),
als meneer Rozier in Kort Amerikaans (Pieters, 1979), Vrijdag (Hugo Claus, 1980), Rasierschnitt (Eddy van Lil, 1983), De Leeuw van Vlaanderen (Claus, 1985), de korte jeugdfilm Misdaad op wielen (Feliks Arons, 1986), als Mr. Johnny in de ‘minimal movie’ Lost in Amsterdam (Pim de la Parra, 1989), de in Oud-Amelisweerd opgenomen Amerikaanse productie Kiss Napoleon Goodbye (Babeth Mondini, 1990), het korte Het vonnis (Hillie Molenaar en Joop van Wijk, 1990), tv- en bioscoopversie van Mevrouw Ten Kate en het beest in de mens (Casper Verbrugge, 1991), de korte films De vloek (Karim Traïdia. 1993), Zand (Dick Tuinder, 1994) en De tijdreiziger (top-billed als de fictieve  filmpionier Arthur Dauphin; Tuinder, 1996),
het zelden vertoonde Dream of a Shadow/Droom van een schaduw (De la Parra, 1996), Self-portrait of the 20th Century as a Brain (Tuinder, 2002), als meneer Klein in Polleke (Ineke Houtman, 2003) en Winterland (Tuinder, 2009). Ook in de documentaire Civilization and Other Chimeras Observed During the Making of an Exceptionally Artistic Feature Film (Aryan Kaganof, 2009).

26 augustus 2014

Jean Cosmos


91, Parijs, 26 augustus, natuurlijke dood

Frans auteur en scenarioschrijver, pseudoniem van Jean Louis Gaudrat. Drie keer genomineerd voor een César wegens een scenario dat hij samen met regisseur Bertrand Tavernier schreef: La vie et rien d’autre (1989), Capitaine Conan (1996) en La princesse de Montpensier (2011).
Opgeleid tot ingenieur, aanvankelijk liedjesschrijver, bij voorbeeld voor Yves Montand en Les Frères Jacques. Kwam via de radio bij film en (vooral) televisie terecht. Eerste geproduceerde filmscenario: Bonjour toubib (Louis Cuny, 1957). Schreef ook (mee aan): Un gosse de la butte (Maurice Delbez, 1964), Pour 100 briques t’as plus rien! (Édouard Molinaro, 1982), het Frans-Candese Oh! Oh! Satan!/Thank You Satan (André Farwagi, 1989), La fille de d’Artagnan (naar een idee van Riccardo Freda; Tavernier, 1994), Le colonel Chabert (tevens als acteur; Yves Angelo, 1994), Un air si pur… (naar Knut Hamsuns roman Siste kapitel; Angelo, 1997), Le bossu (Philippe de Broca, 1997), Laissez-passer (Tavernier, 2002), Effroyables jardins (Jean Becker, 2003), de remake van Fanfan la Tulipe (samen met Luce Besson; Gérard Krawczyk, 2003), Agents secrets (Frédéric Schoendoerffer, 2004), Aurore (Nils Tavernier, 2006), Le grand Meaulnes (naar Alain-Fournier; Jean-Daniel Verhaeghe, 2006), Michou d’Auber (Thomas Gilou, 2007), Dialogue avec mon jardinier (Becker, 2007) en La jeune fille et les loups (Gilles Legrand, 2008). Regisseerde drie televisiefilms.

24 augustus 2014

Lord Richard Attenborough


90, Londen, 24 augustus, na een ziekte

Engels acteur, regisseur, producent en filantroop. Winnaar van twee Oscars, als regisseur en producent van Gandhi (1982), zijn jarenlang gekoesterde droomproject. Regisseerde elf andere films, veelal met een spectaculair uiterlijk en een humanitaire boodschap, waarvan hij er acht ook zelf produceerde. Begon zijn lange filmcarrière als acteur, maar werd vooral in beeld herinnerd door zijn late rol als de professor die dinosauriërs tot leven wekt in Jurassic Park (Steven Spielberg, 1993) en het vervolg The Lost World (Spielberg, 1997).
Werd in 1976 in de adelstand verheven en in 1993 benoemd tot baron van Richmond-upon-Thames en derhalve voor het leven lid van het Hogerhuis, op instigatie van de Labourpartij. Net als zijn broer, David, maker van talloze natuurdocumentaires voor de BBC, zoon van een vooraanstaand jurist en universiteitsbestuurder in Cambridge. Was piloot in de Royal Air Force, volgde een opleiding aan de Royal Academy of Dramatic Arts (RADA) en maakte als 17-jarige al  zijn filmdebuut in In Which We Serve/Het schip waarop wij vochten (Noel Coward en David Lean, 1942). Na kleine rollen in Schweik’s New Adventures (Karel Lamac, 1943), The Hundred Pound Window (Brian Desmond Hurst, 1944) en A Matter of Life and Death (Michael Powell en Emeric Pressburger, 1945), speelde Dickie Attenborough zijn eerste hoofdrol in de vliegeniersfilm Journey Together (top-billed; John Boulting, 1945). Groeide snel uit tot publiekslieveling, in films als School for Secrets (Peter Ustinov, 1946), The Man Within (Bernard Knowles, 1947), Dancing with Crime (top-billed; John Paddy Carstairs, 1947),  zijn echte doorbraakfilm Brighton Rock (top-billed als jonge bendeleider; J. Boulting, 1947),
London Belongs to Me (top-billed; Sidney Gilliat, 1948), The Guinea Pig (top-billed; Roy Boulting, 1948), The Lost People (Knowles en Muriel Box, 1949), Boys in Brown (Montgomery Tully, 1949), een gastrol tegenover zijn boezemvriend John Mills in Morning Departure (Roy Ward Baker, 1950), Hell Is Sold Out (Michael Anderson, 1951), The Magic Box (J. Boulting, 1951), Gift Horse/Glory at Sea (Compton Bennett, 1952), Father’s Doing Fine (top-billed; Henry Cass, 1952), Eight O’Clock Walk (top-billed; Lance Comfort, 1954), The Ship That Died of Shame/Bloedgeld (top-billed; Basil Dearden, 1955), Private’s Progress (gastrol; J. Boulting, 1956), The Baby and the Battleship (tegenover Mills; Jay Lewis, 1956), Brothers in Law (top-billed; R. Boulting, 1957), The Scamp (top-billed; Wolf Rilla, 1957), Dunkirk/Duinkerken (tegenover Mills; Leslie Norman, 1958), The Man Upstairs (titelrol; Don Chaffey, 1958), Sea of Sand (top-billed; Guy Green, 1958), Danger Within/Het complot der 400 (Chaffey, 1959), als werkgever in de vakbondsfilm I’m All Right Jack (J. Boulting, 1959), Jet Storm (top-billed; Cy Endfield, 1959) en SOS Pacific (top-billed; Green, 1960). Ontevreden met de mate van controle over zijn films richtte Attenborough in 1959 samen met regisseur Bryan Forbes een productiemaatschappij op, Beaver Films. Hij speelde ook de hoofdrol in de eerste twee producties, The League of Gentlemen (Dearden, 1960) en The Angry Silence (Green, 1960), alsmede in Seance on a Wet Afternoon (Forbes, 1964), waarna Beaver ophield te bestaan.
Onverdroten ging Attenborough voort met het spelen van overwegend kleinere rollen in andermans films: All Night Long (Dearden, 1962), The Dock Brief/Trial and Error (tegenover Peter Sellers; James Hill, 1962), The Great Escape (John Sturges, 1963), The Third Secret (Charles Crichton, 1964), Guns at Batasi (top-billed; John Guillermin, 1964), The Flight of the Phoenix (tegenover James Stewart; Robert Aldrich, 1965), The Sand Pebbles (Robert Wise, 1966), Doctor Dolittle (Richard Fleischer, 1967), Only When I Larf (top-billed; Dearden, 1968), The Bliss of Mrs. Blossom (tegenover Shirley MacLaine; Joseph McGrath, 1968), The Magic Christian (McGrath, 1969), Loot (Silvio Narizzzano, 1970), A Severed Head (Dick Clement, 1970), briljant als seriemoordenaar in 10 Rillington Place (top-billed; Fleischer, 1971),
Ten Little Indians/Ein Unbekannter rechnet ab (Peter Collinson, 1974), tegenover John Wayne in Brannigan (Douglas Hickox, 1975), Rosebud (Otto Preminger, 1975), Conduct Unbecoming (Anderson, 1975), Shatranj ke khilari/The Chess Players (Satyajit Ray, 1977), The Human Factor (top-billed; Preminger, 1979), als de kerstman in Miracle on 34th Street (top-billed; Les Mayfield, 1994), Hamlet (Kenneth Branagh, 1996), Elizabeth (Shekhar Kapur, 1998) en Puckoon (Terence Ryan, 2002). Als producent verdiende Attenborough zijn sporen met films als Whistle Down the Wind (Forbes, 1961) en The L-Shaped Room (Forbes, 1962), zodat hij beslagen ten ijs kwam met zijn regiedebuut: Oh! What a Lovely War (1969), gebaseerd op een pacifistische revue over de Eerste Wereldoorlog, met een all-star-cast, waarin we onder meer Mills. Dirk Bogarde, John Gielgud, Laurence Olivier, Maggie Smith en de hele familie Redgrave tegenkomen.  Daarna regisseerde Attenborough twee grootscheepse kostuumfilms, Young Winston (1972) over de vlegeljaren van Churchill en het in Nederland (bij Deventer) opgenomen A Bridge Too Far/Een brug te ver (1977) over de slag om Arnhem in 1944. Een van zijn weinige contemporaine projecten was het geflopte en dus onderschatte Magic (1978), met Anthony Hopkins als buikspreker.
Na het met in totaal 8 Oscars onderscheiden Gandhi maakte Attenborough een ambachtelijk geslaagde verfilming van de musical A Chorus Line (1985), Cry Freedom (1987) over Steve Biko en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, de meer dan adequate biopic Chaplin (1992), naar het boek van David Robinson en met Robert Downey Jr. in de titelrol, Shadowlands (met Hopkins als schrijver C.S. Lewis; 1995), In Love and War (over Ernest Hemingway in de Eerste Wereldoorlog; 1996), het in Nederland niet uitgebrachte Grey Owl (met Pierce Brosnan als indiaan; 1999) en Closing the Ring (met MacLaine en Christopher Plummer;2007).  Hoofdpersoon van de documentaire Richard Attenborough: A Life in Film (Sally Norris, 2014). Was bestuurder of toezichthouder van onder meer RADA, National Fillm and Television School (Beaconsfield), Channel 4 TV, de Tate Gallery, BAFTA, de Actors’ Charitable Trust, de universiteit van Sussex, Goldcrest Film, Capital Radio en voor het leven vicevoorzitter van voetbalclub Chelsea. Getrouwd met actrice Sheila Sim.

19 augustus 2014

Brian G. Hutton


79, Los Angeles, 19 augustus, hartaanval

Amerikaans regisseur en acteur. Onopvallende Hollywoodacteur met Method-achtergrond scoorde als filmregisseur twee hits, beide oorlogsfilms met een hoofdrol voor Clint Eastwood: de verfilming van Alistair McLeans Where Eagles Dare/Als adelaars vielen ze aan (ook met Richard Burton; 1968) en Kelly’s Heroes (ook met Telly Savalas en Donald Sutherland; 1970). Na wat edelfiguratie en tv-werk maakte New Yorker Hutton (vanaf 1959 voegde hij de initiaal van zijn tweede naam Geoffrey toe) zijn officiële filmdebuut in de semi-klassieke western Gunfight at the O.K. Corral (John Sturges, 1957).  Hij was ook te zien als jeune premier in Carnival Rock (Roger Corman, 1957),
The Case Against Brooklyn (Paul Wendkos, 1958), het Elvis-vehikel King Creole (Michael Curtiz, 1958), als de apostel Johannes in The Big Fisherman (Frank Borzage, 1959), de western The Last Train from Gun Hill (Sturges, 1959) en The Interns (David Swift, 1962), maar toch vooral in tv-series, van Perry Mason tot Rawhide. Regiedebuut: de door D.A. Pennebaker voor Universal geproduceerde roadmovie Wild Seed (1965). Daarna regisseerde Hutton de romantische komedie The Pad and How to Use It (1966), de misdaadfilm Sol Madrid (1968), het melodrama Zee and Co./X, Y and Zee (1972) over de liefdesdriehoek van Elizabeth Taylor, Michael Caine en Susannah York, de psychologische thriller Night Watch (met Taylor; 1973), de thriller The First Deadly Sin (als vervanger van Roman Polamski; met Frank Sinatra en Faye Dunaway; 1980) en de avonturenfilm High Road to China (met Tom Selleck; 1983).  Vervolgens trok Hutton zich terug uit de filmwereld en werd handelaar in onroerend goed, door kwade tongen gedefinieerd als ‘ loodgieter’.

12 augustus 2014

Lauren Bacall


89, New York, 12 augustus, beroerte

Amerikaans actrice, geboren als Betty Joan Perske. Een van de grootste sterren uit de jaren 40, bijgenaamd The Look. In 1997 door het blad Empire in de top-100 van belangrijkste filmsterren aller tijden op de 11de plaats gezet.  Fotomodel werd op haar 18de ontdekt door de echtgenote van regisseur Howard Hawks, socialite Slim Keith, toen ze op de cover van de Harper’s Bazaar stond.  Hawks gaf haar de hoofdrol van de femme fatale tegenover de 26 jaar oudere Humphrey Bogart in de Hemingwayverfilming To Have and Have Not (1944). Het personage heet Slim en zou gemodelleerd zijn naar mevrouw Hawks. Vooral de scène waarin ze hem opriep haar te fluiten als hij haar nodig had, werd een klassieke verleidingsmoment: ,,Je weet hoe je moet fluiten, toch? Tuit je lippen en blaas!.’’
Ruim een jaar later was Bogart gescheiden en trouwde hij met Bacall, een koninklijk huwelijk dat stand hield tot zijn dood in 1957. Ze speelden samen in The Big Sleep (naar Raymond Chandler; Hawks, 1946), Dark Passage/Passagiers in de nacht (Delmer Daves, 1947) en Key Largo (John Huston, 1948). Daarnaast speelde de zwoele, maar verre van onnozele diva in vele andere films, niet zelden tot ongenoegen van Bogey. Met name Written on the Wind/Duistere driften (Douglas Sirk, 1956) vond hij (ten onrechte) een keukenmeidenromannetje, dat slecht zou zijn voor haar reputatie.
Bacall was onder meer de ster van Confidential Agent (naar Graham Greene; Herman Shumlin, 1945), Young Man with a Horn (tegenover Kirk Douglas en Doris Day; Michael Curtiz, 1950), Bright Leaf/Het masker valt (tegenover Gary Cooper; Curtiz, 1950), How to Marry a Millionaire (tegenover Marilyn Monroe en Betty Grable; Jean Negulesco, 1953),
Woman’s World (Negulesco, 1954), The Cobweb (Vincente Minnelli, 1955), Blood Alley (tegenover John Wayne; William A. Wellman, 1955) en Designing Woman (tegenover Gregory Peck; Minnelli, 1957). Als weduwe – Bacall hertrouwde in 1961 met acteur Jason Robards – kwam ook haar filmcarrière enigszins in het slop, al bleef ze spelen: The Gift of Love (top-billed; Negulesco, 1958), North West Frontier (J. Lee Thompson, 1959), Shock Treatment (Denis Sanders, 1964), Seks and the Single Girl (Richard Quine, 1964) en tegenover Paul Newman in Harper (Jack Smight, 1966).
Na een periode zonder films van acht jaar, waarin ze ook scheidde van Robards, maakte Bacall een comeback in de all-starcast van Agathe Christies Murder on the Orient Express (Sidney Lumet, 1974). Daarna tegenover Wayne en James Stewart in de ouderwetse western The Shootist (Don Siegel, 1976), in het ensemble van HealtH (Robert Altman, 1980), top-billed tegenover James Garner in The Fan (Edward Bianchi, 1981), Appointment with Death (naar Christie; Michael Winner, 1988),
Mr. North (Danny Huston, 1988), Misery (naar Stephen King; Rob Reiner, 1990), tegenover Anthony Quinn in het Frans-Canadese A Star for Two (Jim Kaufman, 1991), All I Want for Christmas (Robert Lieberman, 1991), Prêt-à-porter (Altman, 1994), The Mirror Has Two Faces (Barbra Streisand, 1996), My Fellow Americans (Peter Segal, 1996), Le jour et la nuit (Bernard-Henri Lévy, 1997), Diamonds (John Asher, 1999), The Venice Project (top-billed tegenover Dennis Hopper; Robert Dornhelm, 1999), Dogville (Lars von Trier, 2003), Birth (tegenover Nicole Kidman; Jonathan Glazer, 2004), Manderlay (Von Trier, 2005), The Walker (Paul Schrader, 2007),  de korte film Eve (top-billed; Natalie Portman, 2008), Wide Blue Yonder (Robert Young, 2010) en The Forger (top-billed; Lawrence Roeck, 2012). Autobiografie; By Myself (1980). Zou verre nicht zijn van de Israëlische president Shimon Peres, die ook eigenlijk Perske heet.





08 augustus 2014

Menahem Golan


85, Jaffa, 8 augustus, natuurlijke dood

In het toenmalige Brits-Palestina geboren Israëlisch filmproducent, -regisseur, scenarist, distributeur en bioscoopexploitant, geboren als Menahem Globus. Buitengewoon productief filmmaker, die 44 films regisseerde en er rond de 200 produceerde, vooral samen met zijn jongere neef Yoram Globus. Het duo stond bekend als de Go-Go Boys, nadat ze in 1979 de noodlijdende New Yorkse productiemaatschappij Cannon Pictures overgenomen hadden. Hun specialiteit waren low-budgetfilms met grote sterren die niet meer heel erg in trek waren, maar toch met hun naam op z’n minst nieuwsgierigheid wekten. In 1984 verwierf Cannon het Nederlandse Tuschinskiconcern, dat na de fusie met City Film en Meerburg Theaters vrijwel alle grote theaters in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag runde. Nog later raakten Golan en Globus verstrikt in een ingewikkelde constructie met de louche Italiaanse ondernemers Giancarlo Parretti en Florio Fiorini om de illustere MGM-studio over te nemen. Het resultaat was dat de Cannon-theaters weer van naam veranderden (MGM), Golan zich terugtrok, MGM nagenoeg failliet ging en het Franse Pathéconcern de Nederlandse theaters uit de failliete boedel viste. Nadat Golan Cannon verlaten had, richtte hij een nieuwe mini-studio op, onder de naam 21st Century Pictures. Golan was tijdens de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog gevechtspiloot en veranderde om patriottische redenen zijn naam in 1948 in die van de hoogvlakte, die tijdens de Zesdaagse Oorlog (1967) op Syrië veroverd zou worden. In de jaren 50 studeerde hij regie aan de Londense Old Vic  School, de London Academy of Music and Drama en New York University. Ook werd hij productieassistent van zijn grote voorbeeld, de keizer van de exploitatiefilm Roger Corman, bij The Young Racers (Corman, 1963).
Na een aantal toneelstukken te hebben geregisseerd maakte hij als eerste film El Dorado (tevens scenario; 1963), met de nationale topsterren Topol en Gila Almagor. Voor de met Globus opgerichte firma Noah Films regisseerde Golan een lange reeks films, waarvan internationaal de meeste roem werd verworven door de musical Kazablan (1974) en het voor een Oscar (buitenlandse film) genomineerde Mivtsa Yonatan/Operation Thunderbolt (over de Israëlische bevrijdingsactie in Entebbe; 1977). Ook produceerde Golan het eveneens voor een Oscar genomineerde Sallah Shabati (Ephraim Kishon, 1964) en Eskimo Limon/Lemon Popsicle (Boaz Davidson, 1978), de eerste van een lange reeks tienerkomedies onder de verzameltitel Hot Bubblegum.
  In toenemende mate regisseerde Golan ook Amerikaanse en Europese producties, zoals de gangsterfilm Lepke (met Tony Curtis; 1975), de ‘heist movie’ Diamonds (1975),  het in Amsterdam opgenomen Agenten kennen keine Tränen/The Uranium Conspiracy (samen met Frank G. Carroll alias Gianfranco Baldanello, 1978), The Magician of Lublin (naar Isaac Bashevis Singer; 1979) en de sciencefictionmusical The Apple (1980). Onder het Cannon-label regisseerde Golan Enter the Ninja (1981), Over the Brooklyn Bridge (1984), The Delta Force (met Chuck Norris; 1986), Over the Top (met Sylvester Stallone; 1987) en Hanna’s War (met Maruschka Detmers; 1988).
Andere relatief bekende Cannon-films, steevast gefinancierd door Frans J. Afman en aanvankelijk vaak gedistribueerd door Robbert Wijsmullers Concorde Film, waren The Happy Hooker Goes Hollywood (Alan Roberts, 1980),  Schizoid/De maniak met de schaar (David Paulsen, 1980), Lady Chatterley’s Lover (met Sylvia Kristel; Just Jaeckin, 1981), Death Wish II (Michael Winner, 1982), The Last American Virgin (Davidson, 1982), That Championship Season (met Robert Mitchum; Jason Miller, 1982), House of the Long Shadows (met Christopher Lee, Vincent Price en Peter Cushing; Pete Walker, 1983), 10 to Midnight (met Charles Bronson; J. Lee Thompson, 1983), Nana (naar Emile Zola; Dan Wolman, 1983), de remake van The Wicked Lady (met Faye Dunaway; Winner, 1983), Hercules (met Lou Ferrigno; Lewis Coates alias Luigi Cozzi, 1983), Revenge of the Ninja (Sam Firstenberg,, 1983), Sahara (Andrew V. McLaglen, 1983), het met een Gouden Beer onderscheiden Love Streams (John Cassavetes, 1984),
Grace Quigley (met Katharine Hepburn en Nick Nolte; Anthony Harvey, 1984), de dansfilm Breakin’ (Joel Silberg, 1984), The Ambassador (met Mitchum en Rock Hudson; Lee Thompson, 1984), de psychothriller The Naked Face (met Roger Moore en Rod Steiger; Bryan Forbes, 1984), Ordeal by Innocence (naar Agatha Christie; Desmond Davis, 1984), Bolero (met Bo Derek; John Derek, 1984), Maria’s Lovers (met Nastassia Kinski; Andrei Konchalovsky, 1984), Missing in Action (met Norris; Joseph Zito, 1984), Mata Hari (met Kristel; Curtis Harrington, 1985), The Assisi Underground (Alexander Ramati, 1985), Lifeforce (Tobe Hooper, 1985), American Ninja (Firstenberg, 1985), Invasion U.S.A. (met Norris; Zito, 1985), The Berlin Affair (Liliana Cavani, 1985), het voor drie Oscars genomineerde Runaway Train (naar een vergeten scenario van Akira Kurosawa; Konchalovsky, 1985),
King Solomon’s Mines (met Richard Chamberlain en Sharon Stone; Lee Thompson, 1985), Fool for Love (scenario van Sam Shepard; Robert Altman, 1985), Un complicato intrigo di donne, vicoli e delitti/Camorra (Lina Wertmüller, 1985),  het Nederlandse Field of Honor/Veld van eer (Hans Scheepmaker, 1986), Murphy’s Law (met Bronson; Lee Thompson, 1986), Cobra (met Stallone; George P. Cosmatos, 1986), Invaders from Mars (Hooper, 1986), The Texas Chainsaw Massacre 2 (met Dennis Hopper; Hooper, 1986), de operafilm Otello (Franco Zeffirelli, 1986), 52 Pick-Up (John Frankenheimer, 1986), Firewalker (met Norris; Lee Thompson, 1986), Allan Quatermain and the Lost City of Gold (met Chamberlain en Stone; Lee Thompson, 1986), Duet for One (met Julie Andrews; Konchalovsky, 1986), Salomé (Claude d’Anna, 1986), Assassination (met Bronson; Peter R. Hunt, 1987), The Barbarians (Ruggero Deodato, 1987), The Hanoi Hilton (Lionel Chetwynd, 1987), Shy People (Konchalovsky, 1987), King Lear (met Woody Allen; Jean-Luc Godard, 1987),
Superman IV: The Quest for Peace (Sidney J. Furie, 1987), Masters of the Universe (Gary Goddard, 1987), Bloodsport (met Jean-Claude Van Damme; Newt Arnold, 1988), Manifesto (Dusan Makavejev, 1988), Evil Angels/A Cry in the Dark (Oscarnominatie voor Meryl Streep; Fred Schepisi, 1988), Sinbad of the Seven Seas (met Ferrigno; Enzo G. Castellari, 1989), Cyborg (met Van Damme; Albert Pyun, 1989). Daarna ging Golan verder onder andere labels. Hij regisseerde nog onder meer Mack the Knife (1989), The Versace Murder (1998), een in Rusland opgenomen Crime and Punishment (naar Dostojevski; 2002), Ha-shiva MeHodu/The Return from India (2002) en zijn zwanenzang Marriage Agreement (naar een toneelstuk van Kishon; 2008). Ook de door Golan na de Cannon-periode geproduceerde films waren hier veel minder zichtbaar: Number One with a Bullet (jack Smight, 1987), Street Smart (Jerry Schatzberg, 1987), Barfly (met Mickey Rourke; Barbet Schroeder, 1987),
het Belgische Mascara (Patrick Conrad, 1987), Tough Guys Don’t Dance (Norman Mailer, 1987), The Kitchen Toto (Harry Hook, 1987), Dancers (met Mikhail Barysnikov; Herbert Ross, 1987), de documentaire Powaqqatsi (Godfrey Reggio, 1988), Haunted Summer (over Byron en Shelley; Ivan Passer, 1988), Messenger of Death (met Bronson; Lee Thompson, 1988), The Phantom of the Opera (Dwight H. Little, 1989), The Forbidden Dance/Lambada (Greydon Clark, 1990), Night of the Living Dead (Tom Savini, 1990), Bullseye! (met Moore en Michael Caine; Winner, 1990), Emmanuelle au 7ème ciel (met Kristel; Francis Leroi, 1993), Speedway Junky (Nickolas Perry, 1999) en het Bulgaarse Children of Wax (met Armand Assante en Udo Kier; Ivan Nitchev, 2007).  Over de exacte achtergronden van de opkomst en vooral de ondergang van Golans imperium is het laatste woord nog lang niet gezegd. Een eerste poging wordt ondernomen in de documentaires Hollywood Banker (Rozemyn Afman, 2014) en het door Noah Films zelf gecoproduceerde The Go-Go Boys; The Inside Story of Cannon Films (Hilla Medalia, 2014), maar meer documentaires en publicaties in voorbereiding.