09 februari 2016

André van den Heuvel


88, Amsterdam, 9 februari, doodsoorzaak onbekend

Nederlands acteur en regisseur, voluit Andreas Petrus Gerardus van den Heuvel. Bekend theater- en televisieacteur, met ook een groot aantal filmrollen. Won als toneelspeler de Arlecchino in 1965 (De gedachte) en tweemaal de Louis d’Or: in 1973, voor de rol van George in een reprise van Wie is er bang voor Virginia Woolf? (tegenover zijn echtgenote Kitty Janssen) en in 1992 voor Heldenplatz. Had een hit in de top-40 met het duet (met Leen Jongewaard) Op een mooie Pinksterdag uit de musical Heerlijk duurt het langst (van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink; 1967). Debuteerde in 1946 in de Passiespelen in zijn geboortedorp Tegelen, daarna als dienstplichtig militair naar Nederlands-Indië, waar hij ernstig gewond raakte. De periode zou zijn hele verdere leven beïnvloeden, vertelde hij in 2007 aan NRC Handelsblad. Eindexamen Toneelschool Amsterdam (1954) en een aanstelling bij de Nederlandse Comedie (1953-59).

Filmdebuut in Dorp aan de rivier (Fons Rademakers, 1958). Ook in Kermis in de regen (Kees Brusse, 1962), De overval (Paul Rotha, 1962), Als twee druppels water (Rademakers, 1963), Amsterdam Affair (Gerry O’Hara, 1968), Wat zien ik? (Paul Verhoeven, 1971), Daniël (Erik Terpstra, 1971), Mira (Rademakers, 1971), Louisa/Een woord van liefde (Paul Collet en Pierre Drouot, 1972), de korte film Kapsalon (Frans Rasker, 1973), Lifespan (Alexander Whitelaw, 1975), als Caravaggio in Rubens, schilder en diplomaat (Roland Verhavert, 1977), Dag dokter (tegenover Janssen; Ate de Jong, 1978), Mijn vriend of: Het verborgen leven van Jules Depraeter (Rademakers, 1979), Absurd (Zaev Nirnberg, 1979), de tv-film Voorbij, voorbij (Verhoeven, 1979), De bende van hiernaast (Karst van der Meulen, 1980), Ik ben Joep Meloen (Guus Verstraete jr., 1981), het korte De stenen vriendin (Jindra Markus, 1983), de stem van Bul Super in de animatiefilm Als je begrijpt wat ik bedoel (Harrie Geelen, Bjørn Frank Jensen en Bert Kroon, 1983), Kunst en Vliegwerk (Van der Meulen, 1989), de bekroonde korte voorlichtingsfilm over euthanasie Klaar met leven (Willem Ouwerkerk, 1989) en De rode zwaan (Martin Lagestee, 1999).
Heel veel televisie, in commercials (NMB, Jamin)
en in series als Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mjnheer? (als prins Guurt van Grasp; 1972-75), Waaldrecht (1973), Merijntje Gijzens jeugd (als de vader, tegenover Janssen; Kees van Iersel, 1974), Oorlogswinter (Aart Staartjes, 1975), Ieder zijn deel (tegenover Janssen; Nico Knapper, 1977-78), De weg (Willy van Hemert, 1983), als aartshertog Alva in Willem van Oranje (Walter van der Kamp, 1984), in de titelrol van Recht voor z’n Raab (1992-93), in de in Tegelen gesitueerde, op ware gebeurtenissen gebaseerde miniserie De partizanen (Theu Boermans, 1995), In naam der koningin (Bram van Erkel, 1996), Baantjer (1996-98), Oud geld (Willem van de Sande Bakhuyzen, 1998-99) en als minister De Geer in Wilhelmina (Olga Madsen, 2001), alsmede de tv-film Gebroken rood (Eric Oosthoek, 2004). Exposeerde in 2007 sculpturen, keramiek en aquarellen in het Haagse Pulchri. Sinds 2012 weduwnaar van Kitty Janssen.



20 januari 2016

Sieto Hoving


91, Amsterdam?, 20 januari, doodsoorzaak onbekend

Nederlands cabaretier en acteur. Richtte in 1957 met zijn vrouw Marijke Hoving-Tauber de cabaretgroep Tingel Tangel op, die opereerde vanuit het gelijknamige theater aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam (het huidige Betty Asfalt Complex). Speelde ook af en toe kleine rollen in speelfilms: als butler in AfFair Play (Roeland Kerbosch, 1995), burgemeester in Advocaat van de hanen (Gerrit van Elst, 1996) en directeur in Somberman’s aktie (Casper Verbrugge, 2000), alsmede de korte jeugdfilm Emmy (Ruud Schuitemaker, 1989). Nog meer te zien op televisie, bij voorbeeld in het tv-drama Het stille land (Jan Keja, 1993), de serie Achter het scherm (Joram Lürsen, 1995), als koning Willem I in Wij Alexander (Rimko Haanstra, 1998) en in verschillende commercials.

14 januari 2016

Franco Citti


80, Rome, 14 januari, doodsoorzaak onbekend

Italiaans filmacteur, broer van scenarioschrijver en regisseur Sergio Citti. Een van de zogeheten ragazzi di vita, de volksjongens uit Romeinse achterbuurten die regisseur en dichter Pier Paolo Pasolini tot zijn vrienden rekende. Franco kreeg de hoofdrol in Pasolini’s debuutfilm Accattone (1961) en zou samen met Ninetto Davoli een vaste aanwezigheid gaan vormen in de meeste van Pasolini’s films: Mamma Roma (1962), het door Pasolini geschreven Una vita violenta (top-billed; Paolo Heusch en Brunello Rondi, 1962), en na een paar jaar afwezigheid uit de openbaarheid, als Oidipous in Edipo Re (top-billed; 1967), als kannibaal in Porcile/Zwijnestal (1969), Il Decameron/Decamerone (top-billed; 1971), I racconti di Canterbury/The Canterbury Tales (1972) en als de demon in Il fiore delle mille e una notte/1001 nacht (1974).

Speelde ook in de meeste films van zijn broer Sergio Citti: Ostia (1970), Storie scellerate/Bawdy Tales (1973), Casotto (1977), Il minestrone (1981). Daarnaast onder meer in de pastiche Il giorno piu’ corto/The Shortest Day (Sergio Corbucci, 1963), Du mouron pour les petits oiseaux (Marcel Carné, 1963), de spaghettiwesterns Requiescant (tegenover Pasolini; Carlo Lizzani, 1967) en Amazzali tutti e torna solo/Kill Them All and Come Back Alone (Enzo G. Castellari, 1968), Seduto alla sua destra/Black Jesus (Valerio Zurlini, 1968), de Siciliaanse scènes van The Godfather (Francis Ford Coppola, 1972), Uomini si nasce, poliziotti si muore/Het recht in eigenhand (Ruggero Deodato, 1976), als de chauffeur in Todo Modo (Elio Petri, 1976), een cameo in La luna (Bernardo Bertolucci, 1979), The Black Stallion Returns (Robert Dalva, 1983), Il segreto (tegenover Nastassia Kinski; Francesco Maselli, 1990) en The Godfather: Part III (Coppola, 1990). Samen met Sergio Citti regisseerde hij Cartoni animati (tevens top-billed; 1997). Beiden zij n te zien in de documentaire Pier Paolo Pasolini e la ragione di un sogno (Laura Betti en Paolo Costella, 2002).

Alan Rickman


69, Londen, 14 januari, alvleesklierkanker

Engels acteur en regisseur. Vooraanstaand theateracteur, opgeleid (1972-74) aan de Royal Academy of Dramatic Arts (RADA), na een korte loopbaan als grafisch vormgever, en verbonden aan de Royal Shakespeare Company. In films vooral bekend door zijn rollen in blockbusters, te beginnen met zijn debuut als Hans Gruber, het meesterbrein achter de gijzeling, in Die Hard (John McTiernan, 1988), dat op enkele rollen in tv-producties na zijn feitelijke filmdebuut vormde. Won een BAFTA voor beste bijrol, van de sheriff van Nottingham, in Robin Hood: Prince of Thieves (Kevin Reynolds, 1991). Speelde de ambivalente schooldirecteur Severus Snape in acht films uit de Harry Potter-cyclus (2001-11). Emmy voor de titelrol in de tv-film Rasputin: Dark Servant of Destiny (Uli Edel, 1996), maar werd bij de Oscars zelfs nooit een nominatie waardig gevonden.

Met zijn lijzige, hypnotiserende stem en bedachtzame charisma was de uit de Londense arbeidersklasse afkomstige Rickman vooral een favoriet van veel vrouwelijke bioscoopbezoekers. Tot zijn overige films behoren The January Man (tegenover Kevin Kline; Pat O’Connor, 1989), de Australische western Quigley Down Under (Simon Wincer, 1990), als de geest van een overleden cellist in Truly, Madly, Deeply (Anthony Minghella, 1990), als puissant rijke beursanalist in Close My Eyes (top-billed; Stephen Poliakoff, 1991), als sadistische ondervrager in Closet Land (Rhada Bharadwaj, 1991), in de mockumentary Bob Roberts (als campagneleider; Tim Robbins, 1992), top-billed in de titelrol van de biopic Mesmer (over de 18de eeuwse hypnose-expert; Roger Spottiswoode, 1994),
de verfilming van Beryl Bainbridges An Awfully Big Adventure (top-billed; Mike Newell, 1995), als kolonel Barton in de verfilming van Jane Austens Sense and Sensibility (tegenover Kate Winslet; Ang Lee, 1996), als de Ierse president De Valera in Michael Collins (Neil Jordan, 1996), Judas Kiss (top-billed; Sebastian Gutierrez, 1998), de thriller Dark Harbor (top-billed; Adam Coleman Howard, 1998), als Metatron, de stem van God, in Dogma (Kevin Smith, 1999), als acteur die de gezagvoerder van een ruimteschip speelt in Galaxy Quest (Dean Parisot, 1999), als kapper in Blow Dry (top-billed; Paddy Breathnach, 2001), in de korte tv-film naar Samuel Becketts Play (top-billed; Minghella, 2001), tegenover Emma Thompson in de iconische romcom Love Actually (Richard Curtis, 2003),
top-billed in Snow  Cake (Marc Evans, 2006), de verfilming van Patrick Süsskinds Perfume: The Story of a Murderer (Tom Tykwer, 2006), als Nobelprijswinnaar in Nobel Son (top-billed; Randall Miller, 2007), als de rechter in Sweeney Todd: The Demon Barber of Fleet Street (Tim Burton, 2007), als een van de 40 acteurs in Portraits in Dramatic Time (David Michalek en Paul Warner, 2007), Gambit (Michael Hoffman, 2012), als president Ronald Reagan in The Butler (Lee Daniels, 2013), A Promise (Patrice Leconte, 2013), top-billed als clubeigenaar Hilly Kristal in CBGB (Miller, 2013) en als generaal in Eye in the Sky (Gavin Hood, 2015). Gaf onder meer stem aan de Blauwe Rups Absolem in Alice in Wonderland (Burton, 2010) en het nog uit te brengen Alice through the Looking Glass (James Bobin, 2016). Regisseerde twee speelfilms: The Winter Guest (tevens scenariobijdrage; 1997) en A Little Chaos (tevens co-scenarist; 2014), waarin hij zelf koning Lodewijk XIV speelde. Getrouwd met econoom en gemeenteraadslid voor Labour Rima Horton. Over zijn eigen politieke voorkeur zei Rickman dat hij was geboren met een lidmaatschapskaart van de Labourpartij op zak.

01 januari 2016

Vilmos Zsigmond


85, Big Sur CA, 1 januari, combinatie van verschillende ziekten

Oorspronkelijk Hongaars cameraman, in 1962 genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger. Veelzijdig director of photography, die er trots op was dat elk van zijn films weer heel anders leek dan de vorige, maar wiens werk gekenmerkt wordt door geraffineerd gebruik van (bij voorkeur natuurlijk) licht. Ook gebruikte hij vaak het procedé van flashing of prefogging: het tevoren kort belichten van het filmmateriaal zodat het kleurenpalet minder scherp wordt. Ook hield hij niet van digitale beelden en probeerde zo lang mogelijk door te gaan met op celluloid draaien. Zsigmond kreeg een Oscar voor Close Encounters of the Third Kind (Steven Spielberg, 1977), een project waar hij naar eigen zeggen meerdere keren ontslagen werd, maar steeds terugkeerde omdat er geen goede vervanging beschikbaar was. Drie overige Oscarnominaties: The Deer Hunter (Michael Cimino, 1978), The River (Mark Rydell, 1984) en The Black Dahlia (Brian De Palma, 2006). Tevens kreeg hij een Emmy voor de tv-film Stalin (Ivan Passer, 2002) en lifetime achievement awards van de American Society of Cinematographers (1999) en het festival van Cannes (2014).
Zoon van een voetbalspeler en –coach, studeerde camera aan de Theater- en Filmacademie van Budapest. Werkte vijf jaar in het Hongaarse filmbedrijf, veelal als assistent of cameraman van korte films. Samen met collega László Kovács maakte hij in 1956 opnamen van de Hongaarse opstand en de Sovjetinvasie, die veel later gemonteerd zouden worden voor de PBS-documentaire No Subtitles Necessary: Laszlo & Vilmos (James Chressanthis, 2008). Het duo vluchtte naar het Westen en belandde in Hollywood, waar beiden een Hollywoodcarrière zouden krijgen (Kovács, 1933-2007, tekende onder meer voor het beeld van Easy Rider, New York New York en Ghostbusters). Aanvankelijk onder de veramerikaniseerde voornaam William verzorgde Zsigmond vooral het beeld van low-budgetfilms als The Sadist/Profile of Terror/Sweet Baby Charlie (James Landis, 1963), The Incredibly Strange Creatures Who Stopped Living And Became Mixed-Up Zombies (Ray Dennis Steckler, 1964), The Time Travelers (Ib Melchior, 1964), Summer Children/A Hot Summer Game (James Bruner, 1965, remake 2011), Psycho a Go-Go (Al Adamson, 1965), de documentaire Mondo Mod (Peter Perry, 1967), Blood of Ghastly Horror (Adamson, 1967), The Name of the Game Is Kill! (Gunnar Hellstrom, 1968), de voor een Oscar genomineerde korte film Prelude (John Astin, 1968), The Picasso Summer (Robert Sallin, 1969), The Monitors (Jack Shea, 1969), Five Bloody Graves (Adamson, 1969), Horror of the Blood Monsters (Adamson, 1970) en Red Sky at Morning (James Goldstone, 1971).
De doorbraak kwam met een duistere, rafelige western met Warren Beatty en Julie Christie, getiteld McCabe & Mrs. Miller (Robert Altman, 1971), waarbij de meeste reacties de opvallende fotografie betroffen. Zsigmond bleef Altman trouw als chef-camera van het etherische Images (1972) en de film noir The Long Goodbye (1973). Ook werkte hij herhaaldelijk voor regisseurs als De Palma (de Hitchcock-hommage Obsession, 1976;  Blow Out, 1981; The Bonfire of the Vanities, 1990, met een minutenlange plan-séquence onder de begintitels) en Woody Allen (Melinda and Melinda, 2004; Cassandra’s Dream, 2007; You Will Meet a Tall Dark Stranger, 2010). Ook tekende hij voor Gouden Palmwinnaar Scarecrow (Jerry Schatzberg, 1973), Spielbergs debuut The Sugarland Express (1974) en de megalomane, barokke western Heaven’s Gate (Cimino, 1980), die de ondergang van studio United Artists veroorzaakte, maar nog steeds verbijsterend mooi blijft. 
The Hired Hand
(Peter Fonda, 1971), het bijna documentair gedraaide Deliverance (John Boorman, 1972), Cinderella Liberty (Rydell, 1973), Sweet Revenge/Dandy, The All-American Girl (Schatzberg, 1976), Winter Kills (William Richert, 1979), The Rose (Rydell, 1979), Jinxed! (Don Siegel, 1982), Table for Five (Robert Lieberman, 1983), No Small Affair (Schatzberg, 1984), Real Genius (Martha Coolidge, 1985), The Witches of Eastwick (George Miller, 1987), Fat Man and Little Boy (Roland Joffé, 1989), The Two Jakes (Jack Nicholson, 1990), Sliver (Phillip Noyce, 1993), Intersection (Rydell, 1994), Maverick (Richard Donner, 1994), The Crossing Guard (Sean Penn, 1995), Assassins (Donner, 1995), The Ghost and the Darkness (Stephen Hopkins, 1996), de korte film The Argument (Donald Cammell, 1999), de documentaire Ljuset håller mig sällskap/Light Keeps Me Company over collega Sven Nykvist (samen met Kovács en 11 anderen; Carl-Gustav Nykvist, 2000), Life as a House (Irwin Winkler, 2001), Jersey Girl (Kevin Smith, 2004) en Compulsion (Egidio Coccimiglio, 2013). Zsigmond werd ontslagen door Columbia (wegens te donker beeld) bij Funny Lady (Herbert Ross, 1975) en deed aanvullend camerawerk voor de musical Mahogany (Berry Gordy, 1975) en de muziekfilm The Last Waltz (Martin Scorsese, 1978). Hij regisseerde de Israëlisch-Hongaars-Amerikaanse coproductie The Long Shadow  (met Michael York en Liv Ullmann; 1992).
 

31 december 2015

Natalie Cole


65, Los Angeles, 31 december, hartfalen na hepatitis C

Amerikaans zangeres en actrice. Dochter van de legendarische zanger Nat ‘King’ Cole. Won tussen 1976 en 2009 in totaal negen keer een Grammy en had een lange reeks hits, waarvan er vier ook de Nederlandse top40 haalden. Grootste hit: This Will Be (1975). Carrière werd gedwarsboomd door drugsverslaving, die haar ook op gevorderde leeftijd alsnog een leverziekte zou hebben gekost.. Speelde zichzelf in de tv-film Livin’ For Love: The Natalie Cole Story (tevens productie; Robert Townsend, 2000). Zong in beeld Ev’ry Time We Say Goodbye in de aan componist Cole Porter gewijde filmbiografie De-Lovely (Irwin Winkler, 2004).

Verder beperkte acteercarrière: top-billed in de tv-film Lily in Winter (Delbert Mann, 1994) en een hoofdrol in de tv-film Freak City (Lynne Littman, 1999), naast kleinere rollen in de tv-films Abducted: A Father’s Love (Chuck Bowman, 1996) en Always Outnumbered (Michael Apted, 1998). Schreef muziek voor de animatiefilm The Easter Egg Adventure (John Michael Williams, 2004). Ook is Cole zingend te horen op de soundtrack van films als Pretty Woman (Garry Marshall, 1990), While You Were Sleeping (Jon Turteltaub, 1995), de animatiefilm Cats Don’t Dance (Mark Dindal, 1997) en Charlie’s Angels: Full Throttle (McG, 2003).

27 december 2015

Haskell Wexler


93, Santa Monica, 27 december, in zijn slaap

Amerikaans cameraman, regisseur en producent. Zeer invloedrijk director of photography, die voor zover de vakbondsreglementen het toestonden ook het liefst zelf de camera bediende. Stijl gekenmerkt door beweeglijkheid in documentaire trant, voorkeur voor politiek geëngageerde onderwerpen. Tweevoudig Oscarwinnaar, voor de zwart-witfotografie van de verfilming van Edward Albees toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf? (Mike Nichols, 1966) en voor het beeld van de biografie van de door David Carradine gespeelde folksinger en vakbondsman Woody Guthrie Bound for Glory (Hal Ashby, 1976). Die film bevat het destijds een sensatie veroorzakende allereerste Steadicam-shot, gedraaid door pionier Garrett Brown. Bij het afstappen van de kraan en te voet verder lopen moest Brown niet alleen de zware camera in evenwicht houden, maar ook verhinderen dat hij door de enorme tegenkracht gekatapulteerd zou worden; dat werd tegengegaan door het aanbrengen van ballast. Het lange shot, in een kamp voor arbeidsmigranten in het Amerika van de Grote Depressie, verloopt schijnbaar moeiteloos en vloeiend.

Wexler, die door vrienden Pete werd genoemd, kreeg nog drie Oscarnominaties voor camerawerk: One Flew Over the Cuckoo’s Nest (gedeeld met David Butler; Milos Forman, 1975), de mijnwerkersfilm Matewan (John Sayles, 1987) en Blaze (Ron Shelton, 1989). Als gedecoreerd oorlogsveteraan begon Wexler zijn carrière met een vroege Oscarnominatie (samen met John Barnes) voor de door hen beiden geregisseerde korte documentaire The Living City (1953). Ook was hij operateur van de second unit van speelfilms als Picnic (Joshua Logan, 1955) en Wild River (Elia Kazan, 1960). Ook draaide hij het drugsdrama Stakeout on Dope Street (onder het pseudoniem Mark Jeffrey; Irvin Kershner, 1958), waarin broer Yale Wexler de hoofdrol speelde. Tevens chef-camera van de voor een Oscar genomineerde korte film T for Tumbleweed (Louis Clyde Stoumen, 1958) en experimenteerde hij met het draaien van fictie in een documentaire setting voor het invloedrijke The Savage Eye (Ben Maddows, Sidney Meyers en Joseph Strick, 1960).
Dat procedé werkte Wexler verder uit in zijn eerste lange speelfilm als regisseur én cameraman, Medium Cool (1969), opgenomen tijdens de heftige demonstraties en rellen bij de Democratische Conventie in Chicago. Puur documentair draaide en regisseerde hij de Burgerrechtenfilm The Bus (1965). Verantwoordelijk voor het beeld in onder meer The Hoodlum Priest (Kershner, 1961), Angel Baby (Paul Wendkos, 1961), het voor de regisseur autobiografische migrantenepos America America (Kazan, 1963), The Best Man (Franklin J. Schaffner, 1964), The Loved One (Tony Richardson, 1965), vijfvoudig Oscarwinnaar In the Heat of the Night/De nacht van inspecteur Tibbs (Norman Jewison, 1967),
het modieuze The Thomas Crown Affair (Jewison, 1968), de met een Oscar onderscheiden korte documentaire Interviews with My Lai Veterans (Strick, 1971), Coming Home (met Fonda; Ashby, 1978), de regristratie Richard Pryor: Live on the Sunset Strip (Joe Layton, 1982), Lookin’ to Get Out (Ashby, 1982), de Truffaut-remake The Man Who Loved Women (Blake Edwards. 1983), de making of van het nooit voltooide Uncle Meat (Frank Zappa, 1987), de politiefilm Colors (Dennis Hopper, 1988), Three Fugitives (Francis Veber, 1989), Other People’s Money (Norman Jewison, 1991), The Babe (Arthur Hiller, 1992), The Secret of Roan Inish (Sayles, 1994), het speelfilmdebuut  Canadian Bacon (Michael Moore, 1995),
de documentaire The Sixth Sun: Mayan Uprising in Chiapas (Saul Landau, 1995), Mulholland Falls (Lee Tamahori, 1996), Limbo (Sayles, 1999), de voor een Oscar genomineerde korte documentaire The Man on Lincoln’s Nose (Daniel Raim, 2000), Silver City (Sayles, 2004) en de docu over art director Robert F. Boyle Something’s Gonna Live (Raim, 2010). Ook regisseerde Wexler de documentaires over Jane Fonda in Hanoi Introduction to the Enemy (1974) en Underground (over the Weather Underground; samen met Emile de Antonio en Mary Lampson, 1976), alsmede de speelfilm Latino (tevens scenario, over Nicaragua; 1985), de autobiografische documentaire Who Needs Sleep? (2006) en From Wharf Rats to Lords of the Docks (2007), Medium Cool Revisited (2013) en Four Days in Chicago (over de Occupy-beweging; 2013). Zonder credit droeg Wexler bij aan het beeld van Faces (John Cassavetes, 1968) en Gouden Palmwinnaar The Conversation (Francis Ford Coppola, 1974).