19 september 2014

Audrey Long


92, Virginia Water (Surrey), 19 september, doodsoorzaak onbekend

Amerikaans filmactrice van Engelse afkomst, ster van B-films. Aanvankelijk onder contract bij Warner Bros., maar officieel debuut in de Universal-film Eagle Squadron (Arthur Lubin, 1942). Na nog wat edelfiguratie kreeg Long hoofdrollen in B-films van onafhankelijke productiemaatschappijen als RKO, Monogram en Republic: A Night of Adventure (Gordon Douglas, 1944), tegenover John Wayne in Tall in the Saddle (Edwin L. Marin, 1944), Pan-Americana (John Auer, 1945), Wanderer of the Wasteland (Wallace Grissell en Edward Killy, 1945), A Game of Death (Robert Wise, 1945), Perilous Holiday (Edward H. Griffith, 1946), Born to Kill (Wise, 1947), Desperate (Anthony Mann, 1947), Rodeo in Texas (Lew Landers, 1948),  de Tsjaikowski-bio Song of My Heart (Benjamin Glazer, 1948), Perilous Waters (Jack Bernhard, 1948), Stage Struck (William Nigh, 1948), Miraculous Journey (Peter Stewart alias Sam Newfield, 1948), Homicide for Three (George Blair, 1948), Duke of Chicago (Blair, 1949), Air Hostess (voor Columbia; Landers, 1949), Post Office Investigator (top-billed; Blair, 1949), Alias the Champ (Blair, 1949),
Trial without Jury (Philip Ford, 1950), David Harding, Counterspy (Columbia; Ray Nazarro, 1950), The Petty Girl/Een meisje van duizend weken (Columbia; Henry Levin, 1950), Blue Blood (Landers, 1951), Insurance Investigator (Blair, 1951), Cavalry Scout (Lesley Selander, 1951), Sunny Side of the Street (Columbia; Richard Quine, 1951) en Indian Uprising (Nazarro, 1952). Gescheiden van Leslie Charteris, de auteur van een lange reeks boeken over The Saint.

04 september 2014

Ralph Wingens


71, Amsterdam, 4 september, doodsoorzaak onbekend

Nederlands acteur, voluit Ralf Jozef Arnold Wingens. In Roermond geboren, opgeleid in Antwerpen aan Studio Herman Teirlinck. Speelde veelal absurdistische rollen bij verschillende theatergezelschappen: Nationaal Toneel van België, Studio, De Horde, Orkater en ook bij zijn eigen compagnie Dzjatsh (samen met Peer Mascini). Enkele hoofdrollen in onafhankelijke, kleine filmproducties: als door de Eerste Wereldoorlog geobsedeerde ex-huurling en echtgenoot van Loes Luca in Het veld van eer (Bob Visser, 1983), Plan Delta (top-billed; Visser, 1986), Wij heten allen Naaktgeboren (top-billed; Dick Verdult, 1990). Kleinere rollen in films als Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (als ‘schoft’ naast  Mascini in het segment De smalle oude man, Guido Pieters, 1975),
als meneer Rozier in Kort Amerikaans (Pieters, 1979), Vrijdag (Hugo Claus, 1980), Rasierschnitt (Eddy van Lil, 1983), De Leeuw van Vlaanderen (Claus, 1985), de korte jeugdfilm Misdaad op wielen (Feliks Arons, 1986), als Mr. Johnny in de ‘minimal movie’ Lost in Amsterdam (Pim de la Parra, 1989), de in Oud-Amelisweerd opgenomen Amerikaanse productie Kiss Napoleon Goodbye (Babeth Mondini, 1990), het korte Het vonnis (Hillie Molenaar en Joop van Wijk, 1990), tv- en bioscoopversie van Mevrouw Ten Kate en het beest in de mens (Casper Verbrugge, 1991), de korte films De vloek (Karim Traïdia. 1993), Zand (Dick Tuinder, 1994) en De tijdreiziger (top-billed als de fictieve  filmpionier Arthur Dauphin; Tuinder, 1996),
het zelden vertoonde Dream of a Shadow/Droom van een schaduw (De la Parra, 1996), Self-portrait of the 20th Century as a Brain (Tuinder, 2002), als meneer Klein in Polleke (Ineke Houtman, 2003) en Winterland (Tuinder, 2009). Ook in de documentaire Civilization and Other Chimeras Observed During the Making of an Exceptionally Artistic Feature Film (Aryan Kaganof, 2009).

24 augustus 2014

Lord Richard Attenborough


90, Londen, 24 augustus, na een ziekte

Engels acteur, regisseur, producent en filantroop. Winnaar van twee Oscars, als regisseur en producent van Gandhi (1982), zijn jarenlang gekoesterde droomproject. Regisseerde elf andere films, veelal met een spectaculair uiterlijk en een humanitaire boodschap, waarvan hij er acht ook zelf produceerde. Begon zijn lange filmcarrière als acteur, maar werd vooral in beeld herinnerd door zijn late rol als de professor die dinosauriërs tot leven wekt in Jurassic Park (Steven Spielberg, 1993) en het vervolg The Lost World (Spielberg, 1997).
Werd in 1976 in de adelstand verheven en in 1993 benoemd tot baron van Richmond-upon-Thames en derhalve voor het leven lid van het Hogerhuis, op instigatie van de Labourpartij. Net als zijn broer, David, maker van talloze natuurdocumentaires voor de BBC, zoon van een vooraanstaand jurist en universiteitsbestuurder in Cambridge. Was piloot in de Royal Air Force, volgde een opleiding aan de Royal Academy of Dramatic Arts (RADA) en maakte als 17-jarige al  zijn filmdebuut in In Which We Serve/Het schip waarop wij vochten (Noel Coward en David Lean, 1942). Na kleine rollen in Schweik’s New Adventures (Karel Lamac, 1943), The Hundred Pound Window (Brian Desmond Hurst, 1944) en A Matter of Life and Death (Michael Powell en Emeric Pressburger, 1945), speelde Dickie Attenborough zijn eerste hoofdrol in de vliegeniersfilm Journey Together (top-billed; John Boulting, 1945). Groeide snel uit tot publiekslieveling, in films als School for Secrets (Peter Ustinov, 1946), The Man Within (Bernard Knowles, 1947), Dancing with Crime (top-billed; John Paddy Carstairs, 1947),  zijn echte doorbraakfilm Brighton Rock (top-billed als jonge bendeleider; J. Boulting, 1947),
London Belongs to Me (top-billed; Sidney Gilliat, 1948), The Guinea Pig (top-billed; Roy Boulting, 1948), The Lost People (Knowles en Muriel Box, 1949), Boys in Brown (Montgomery Tully, 1949), een gastrol tegenover zijn boezemvriend John Mills in Morning Departure (Roy Ward Baker, 1950), Hell Is Sold Out (Michael Anderson, 1951), The Magic Box (J. Boulting, 1951), Gift Horse/Glory at Sea (Compton Bennett, 1952), Father’s Doing Fine (top-billed; Henry Cass, 1952), Eight O’Clock Walk (top-billed; Lance Comfort, 1954), The Ship That Died of Shame/Bloedgeld (top-billed; Basil Dearden, 1955), Private’s Progress (gastrol; J. Boulting, 1956), The Baby and the Battleship (tegenover Mills; Jay Lewis, 1956), Brothers in Law (top-billed; R. Boulting, 1957), The Scamp (top-billed; Wolf Rilla, 1957), Dunkirk/Duinkerken (tegenover Mills; Leslie Norman, 1958), The Man Upstairs (titelrol; Don Chaffey, 1958), Sea of Sand (top-billed; Guy Green, 1958), Danger Within/Het complot der 400 (Chaffey, 1959), als werkgever in de vakbondsfilm I’m All Right Jack (J. Boulting, 1959), Jet Storm (top-billed; Cy Endfield, 1959) en SOS Pacific (top-billed; Green, 1960). Ontevreden met de mate van controle over zijn films richtte Attenborough in 1959 samen met regisseur Bryan Forbes een productiemaatschappij op, Beaver Films. Hij speelde ook de hoofdrol in de eerste twee producties, The League of Gentlemen (Dearden, 1960) en The Angry Silence (Green, 1960), alsmede in Seance on a Wet Afternoon (Forbes, 1964), waarna Beaver ophield te bestaan.
Onverdroten ging Attenborough voort met het spelen van overwegend kleinere rollen in andermans films: All Night Long (Dearden, 1962), The Dock Brief/Trial and Error (tegenover Peter Sellers; James Hill, 1962), The Great Escape (John Sturges, 1963), The Third Secret (Charles Crichton, 1964), Guns at Batasi (top-billed; John Guillermin, 1964), The Flight of the Phoenix (tegenover James Stewart; Robert Aldrich, 1965), The Sand Pebbles (Robert Wise, 1966), Doctor Dolittle (Richard Fleischer, 1967), Only When I Larf (top-billed; Dearden, 1968), The Bliss of Mrs. Blossom (tegenover Shirley MacLaine; Joseph McGrath, 1968), The Magic Christian (McGrath, 1969), Loot (Silvio Narizzzano, 1970), A Severed Head (Dick Clement, 1970), briljant als seriemoordenaar in 10 Rillington Place (top-billed; Fleischer, 1971),
Ten Little Indians/Ein Unbekannter rechnet ab (Peter Collinson, 1974), tegenover John Wayne in Brannigan (Douglas Hickox, 1975), Rosebud (Otto Preminger, 1975), Conduct Unbecoming (Anderson, 1975), Shatranj ke khilari/The Chess Players (Satyajit Ray, 1977), The Human Factor (top-billed; Preminger, 1979), als de kerstman in Miracle on 34th Street (top-billed; Les Mayfield, 1994), Hamlet (Kenneth Branagh, 1996), Elizabeth (Shekhar Kapur, 1998) en Puckoon (Terence Ryan, 2002). Als producent verdiende Attenborough zijn sporen met films als Whistle Down the Wind (Forbes, 1961) en The L-Shaped Room (Forbes, 1962), zodat hij beslagen ten ijs kwam met zijn regiedebuut: Oh! What a Lovely War (1969), gebaseerd op een pacifistische revue over de Eerste Wereldoorlog, met een all-star-cast, waarin we onder meer Mills. Dirk Bogarde, John Gielgud, Laurence Olivier, Maggie Smith en de hele familie Redgrave tegenkomen.  Daarna regisseerde Attenborough twee grootscheepse kostuumfilms, Young Winston (1972) over de vlegeljaren van Churchill en het in Nederland (bij Deventer) opgenomen A Bridge Too Far/Een brug te ver (1977) over de slag om Arnhem in 1944. Een van zijn weinige contemporaine projecten was het geflopte en dus onderschatte Magic (1978), met Anthony Hopkins als buikspreker.
Na het met in totaal 8 Oscars onderscheiden Gandhi maakte Attenborough een ambachtelijk geslaagde verfilming van de musical A Chorus Line (1985), Cry Freedom (1987) over Steve Biko en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, de meer dan adequate biopic Chaplin (1992), naar het boek van David Robinson en met Robert Downey Jr. in de titelrol, Shadowlands (met Hopkins als schrijver C.S. Lewis; 1995), In Love and War (over Ernest Hemingway in de Eerste Wereldoorlog; 1996), het in Nederland niet uitgebrachte Grey Owl (met Pierce Brosnan als indiaan; 1999) en Closing the Ring (met MacLaine en Christopher Plummer;2007).  Hoofdpersoon van de documentaire Richard Attenborough: A Life in Film (Sally Norris, 2014). Was bestuurder of toezichthouder van onder meer RADA, National Fillm and Television School (Beaconsfield), Channel 4 TV, de Tate Gallery, BAFTA, de Actors’ Charitable Trust, de universiteit van Sussex, Goldcrest Film, Capital Radio en voor het leven vicevoorzitter van voetbalclub Chelsea. Getrouwd met actrice Sheila Sim.

05 augustus 2014

Marilyn Burns


65, Houston, 5 augustus, doodsoorzaak onbekend

Amerikaans actrice. Toneelspeelster uit Houston werd bekend als een van de eerste zogeheten scream queens, heldinnen van horrorfilms die onder gruwelijke omstandigheden aan hun einde komen, De eerste van die rollen was Sally in The Texas Chainsaw Massacre (top-billed; Tobe Hooper, 1974), gevolgd door Eaten Alive (Hooper, 1977). Ook speelde ze een van de volgelingen van Charles Manson in de tv-film Helter Skelter (Tom Gries, 1976). Tevens in Kiss Daddy Goodbye (Patrick Regan, 1981), Future-Kill (Ronald W. Moore, 1985), een cameo in The Return of the Texas Chainsaw Massacre (Kim Henkel, 1994), Butcher Boys (Duane Graves en Justin Meeks, 2012), Texas Chainsaw 3D (John Luessenhop, 2013), Sacrament (top-billed; Shawn Ewert, 2014) en het nog uit te brengen In a Madman’s World (top-billed; Josh Vargas, 2015).

30 juli 2014

Dennis Lipscomb


72, Los Angeles, 30 juli, natuurlijke dood

Amerikaans acteur. Debuteerde met een hoofdrol in de indie-productie Union City (Mark Reichert, 1980). Ook in films als Love Child (Larry Peerce, 1982), WarGames (John Badham, 1983), Eyes of Fire (top-billed; Avery Crounse, 1983), als dominee in het post-apocalyptische The Day After (Nicholas Meyer, 1983), A Soldier’s Story (Norman Jewison, 1984), Crossroads (Walter Hill, 1986), Retribution (top-billed; Guy Magar, 1987), als James B. Goode in Amazing Grace and Chuck (Mike Newell, 1987), Sister, Sister (Bill Condon, 1987), The First Power (Robert Resnikoff, 1990), Under Siege (Andrew Davis, 1992) en Undercover Blues (Herbert Ross, 1993).

Robert Drew


90, Sharon CT, 30 juli, bloedvergiftiging

Amerikaans journalist, documentaireregisseur en –producent. Documentairemaker Michael Moore zei eens: ‘’De moderne kunst heeft Picasso, rock’n’roll heeft Bill Haley en de documentaire heeft Robert Drew.” Inderdaad is Drew de grondlegger van wat in Amerika ‘direct cinema’ heet, het met wendbare apparatuur betrappen van de werkelijkheid, in een spannende montage verteld als verhaal, zonder deskundig commentaar of andere externe duiding. Oorspronkelijk was Drew journalist bij het tijdschrift Life, dat hem in 1945 aannam, nadat de voormalige gevechtsvlieger een overtuigende reportage had geschreven over zijn opleiding tot straaljagerpiloot. In 1955 studeerde Drew Drew met een speciale beurs een jaar aan Harvard om te onderzoeken hoe je de dan gebruikelijke documentaire vorm minder saai zou kunnen maken. Drew concludeerde dat de sleutel lag in gebruik van tot dan toe nog nauwelijks bestaande lichte 16mm-camera’s en dito geluidsapparatuur. Hij drong erop aan dat zijn werkgever de productie van zulke apparatuur financieel zou bespoedigen en pleitte ook voor een andere manier van vertellen in documentaires., als een ‘’theater van de werkelijkheid.” Een eerste experiment in die richting was de korte documentaire Weightless (1958) over de training van astronauten. Drew overreedde zijn uitgever Tine Inc. om te investeren in een productiemaatschappij van een nieuw soort documentaires. Drew Associates bestond als energiecentrale van een vernieuwd medium feitelijk slechts drie jaar (1960-63) maar produceerde een ongeëvenaard aantal invloedrijke documentaires, gemaakt door een team van makers die de komende halve eeuw het gezicht van de direct cinema zouden blijven: Richard Leacock. D.A. Pennebaker, de broers David en Albert Maysles. Als eerste project koos Drew voor een door hemzelf geregisseerd en geproduceerd project over de campagne van de jonge, onbekende senator John F. Kennedy tijdens de Democratische voorverkiezingen in Wisconsin. Ook als Kennedy niet een jaar later tot president zou zijn gekozen, was Primary (Drew, 1960) een revolutionaire film, zoals niemand er nooit een eerder gezien had (al is het idioom van de beweeglijke, voyeuristische cameravoering en het rauwe geluid inmiddels zo gemeengoed geworden, dat we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen dat het toen baanbrekend was).
Tot de overige, veelal in eerste instantie door televisie uitgezonden documentaires van Drew Associates behoren Yanki, No! (over de Cubaanse revolutie; Drew, 1960),  Adventures on the New Frontier (over Kennedy in het Witte Huis; Leacock, A. Maysles, Pennebaker en Kenneth Stilson, 1961), Jane (over de jonge toneelspeelster Jane Fonda; Pennebaker, 1962), Crisis: Behind a Presidential Commitment (over de confrontatie tussen Kennedy en George Wallace, gouverneur van Alabama, over de burgerrechten; Drew, 1963),
The Chair (over de doodstraf; Drew, 1963) en het korte Faces of November (over de rouw om Kennedy; Drew, 1964). Al dan niet toevallig viel na de moord op president Kennedy ook Drew Associates uiteen, maar de naamgever bleef documentaires produceren, bij voorbeeld: The Man Who Dances: Edward Villella (Mike Jackson, 1968), The Sun Ship Game (over zweefvliegen; Drew, 1971), On the Road with Duke Ellington (Drew, 1974), From Two Men and a War (tevens montage en hoofdpersoon; Drew, 2005) en de compilatie A President to Remember: In the Company of John F. Kennedy (Drew, 2008). Drew vertelt in beeld in de documentaires Cinéma Vérité: Defining the Moment (Peter Wintonick, 2000), The Camera That Changed the World (Mandy Chang, 2011) en Ricky on Leacock (jane Weiner, 2012).

Dick Smith


92, Los Angeles, 30 juli, complicaties van gebroken heup

Amerikaans grimeur, voluit Richard Emerson Smith. Met slechts vier vingers aan zijn linkerhand verwierf hij toch de eretitel The Godfather of Make-Up en een honoraire Oscar, in 2012 uitgereikt door zijn leerling Rick Baker. Won ook een Oscar voor Amadeus (samen met Paul LeBlanc; Milos Forman, 1984) en een gedeelde nominatie voor Dad (Gary David Golderg, 1989). Autodidact die veel ervaring opdeed bij televisie in de jaren 50. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s deed Smith nooit geheimzinnig over de fijne kneepjes van zijn vak, een van de redenen voor zijn relatieve bekendheid bij een breder publiek. Ook de wangen van Marlon Brando in The Godfather (Francis Ford Coppola, 1972) droegen bij aan Smith’ reputatie.
Eerste officiële credit als make-up artist voor een speelfilm was Down to the Sea in Ships (Henry Hathaway, 1949). Onder veel meer ook grimeur of adviseur bij The Alligator People (Roy Del Ruth, 1959), Requiem for a Heavyweight (Ralph Nelson, 1962), The Cardinal (Otto Preminger, 1963), The World of Henry Orient (George Roy Hill, 1964), Midnight Cowboy (John Schlesinger, 1969), House of Dark Shadows (Dan Curtis, 1970), het verouderingsproces van Dustin Hoffman in Little Big Man (Arthur Penn, 1970), Who Is Harry Kellerman and Why Is He Saying Those Terrible Things about Me? (Ulu Grosbard, 1971), The Exorcist (William Friedkin, 1973),
The Godfather: Pqrt II (Coppola, 1974), The Sunshine Boys (Herbert Ross, 1975), Taxi Driver (Martin Scorsese, 1976), Marathon Man (Schlesinger, 1976), The Sentinel (Michael Winner, 1977), Exorcist II: The Heretic (John Boorman, 1977), The Deer Hunter (Michael Cimino, 1978), Altered States (Ken Russell, 1980), Scanners (David Cronenberg, 1981). Nighthawks (Bruce Malmuth, 1981), The Fan (Edward Bianchi, 1981), Ghost Story (John Irvin, 1981), The Hunger (Tony Scott, 1983), Starman (John Carpenter, 1984), Poltergeist III (Gary Sherman, 1988), Everybody’s All-American (Taylor Hackford, 1988), Sweet Home (Kiyoshi Kurosawa, 1989), Tales from the Darkside; The Movie (John Harrison, 1990), Death Becomes Her (Robert Zemeckis, 1992), Forever Young (Steve Miner, 1992) en House on Haunted Hill (William Malone, 1999).