30 april 2015

Patachou


96, Neuilly (Haut-de-Seine), 30 april, doodsoorzaak onbekend

Frans zangeres en actrice, pseudoniem van Henriette Ragon. Haar artiestennaam is afgeleid van pâte à choux, een soort deeg voor soesjes en tevens de naam van het cabaret-restaurant in Montmartre (oorspronkelijk een banketbakkerij), dat ze met haar man Jean Billon in 1948 overnam. Het werd de bakermat van menig debuterend chansonnier, onder wie Georges Brassens, met wie Patachou ook duetten zong. Vanaf 1952 succesvol platenartiest. Enkele films: ze zong Brassens’ Brave Margot in Femmes de Paris (Jean Boyer, 1953)
en speelde rollen in French Cancan (Jean Renoir, 1954), als Madame Sans-gêne in Napoléon (Sacha Guitry, 1955), als hotelhoudster in Faubourg St Martin (Jean-Claude Guiguet, 1986), top-billed in dezelfde rol, tegenover haar zoon, componist Pierre Billon, in de korte film Avec sentiment (Pierre Vecchiali, 1987), La Rumba (Roger Hanin, 1987), Le champignon des Carpathes (Jean-Claude Biette, 1990), Chasse gardée (Biette, 1992), Cible émouvante (Pierre Salvadori, 1993), als Margherite in Pola X (Leos Carax, 1999), Drôle de Félix (Olivier Ducastel en Jacques Martineau, 2000), Les acteurs (Bertrand Blier, 2000), Belphégor – Le fantôme du Louvre (Jean-Paul Salomé, 2001) en San Antonio (Frédéric Auburtin, 2004). Officier in het Legioen van Eer (2009).

24 april 2015

Sid Tepper


96, Miami Beach FL, 24 april, natuurlijke dood

Amerikaans songwriter. Schreef samen met zijn buurman Roy C. Bennett tussen 1945 en 1970 meer dan 300 liedjes, waaronder Red Roses for a Blue Lady en Glad All Over. Drie films kregen een van hun liedjes als titelsong: het Cliff Richard-vehikel The Young Ones (Sidney J. Furie, 1961) en de Elvis Presley-films G.I. Blues (Norman Taurog, 1960) en Stay Away, Joe (Pete Tewkesbury, 1968). In totaal 43 songs voor Elvis en 21 voor Cliff, die hij geen van beiden ooit ontmoette.

02 april 2015

Manoel de Oliveira


106, Porto, 2 april, hartfalen

Portugees regisseur, scenarioschrijver, editor en industrieel, voluit Manoel Cândido Pinto de Oliveira. Maakte in de periode 1985-2012 gemiddeld één lange speelfilm per jaar en was daarmee veruit de oudste actieve regisseur aller tijden. De Oliveira was ook de enige regisseur die films maakte vanaf de zwijgende periode tot en met het digitale tijdperk. Maar er zaten wel langere periodes in van cinematografische inactiviteit, die hij meestal besteedde als directielid van een van de bedrijven van zijn familie. Zijn vader had een conservenfabriek en produceerde gloeilampen, maar was ook grootgrondbezitter en eigenaar van een elektriciteitscentrale. Zoon Manoel wilde acteur worden, liet zich beïnvloeden door de avant-gardefilms van de jaren ’20 en nam les bij de Italiaanse filmmaker Rino Lupo. In 1931 debuteerde hij als regisseur met de korte documentaire Douro, faina fluvial/Labour on the River Douro, een stadssymfonie in de stijl van Walter Ruttmann over zijn geboortestad Porto. Het Portugese publiek jouwde de film uit als te experimenteel, maar internationaal trok De Oliveira direct de aandacht. Twee keer, in 1934 en 1994, zou De Oliveira de zwijgende film hermonteren, met een nieuwe soundtrack.
Dat Portugal in 1933 een fascistische dictatuur werd, was niet bevorderlijk voor de filmcarrière van een linksige intellectueel met progressieve opvattingen over film. Hij speelde een rolletje in de tweede Portugese geluidsfilm, A Cançao de Lisboa (José Cottinelli Telmo, 1933), en maakte enkele korte documentaires, die je eerder opdrachtfilms zou moeten noemen. Toch lukte het hem in 1942 een lange speelfilm te regisseren. Ook Aniki-Bóbó, over straatkinderen in Porto, stuitte op veel onbegrip. Het weinig rooskleurige beeld dat hij van hun moraal schetste en het gebruik van niet-professionele acteurs in hun eigen omgeving maakte het tot een voorloper van het neorealisme. Veel later zou de film herontdekt worden.
Ook de volgende twee decennia bracht De Oliveira vooral door in de fabriek en als bedrijfsleider van de wijngaarden van zijn vrouw. Af en toe maakte hij een documentaire of korte film, maar pas in 1963, samen met dichter Antonio Reis, een tweede lange speelfilm, O acto da primaveira/Rite of Spring. Toen de dictatuur ten einde liep, begon zestiger De Oliveira’s filmloopbaan pas echt. De Anjerrevolutie van 1974 nationaliseerde de bezittingen van de familie, maar stelde de nu berooide filmer in staat eindelijk op te bloeien. Hij begon met een vierluik over vergeefse liefde en maatschappelijke repressie: O passado e o presente/Past and Present (1972), Benilde ou a Virgem Mão (1975), het vierurige O amor de perdiçao/Doomed Love (oorspronkelijk een televisieserie; 1978) en Francisca (1981).
De laatste twee werden omarmd door internationale festivals (Quinzaine, Rotterdam) en de regisseur, met zijn onafscheidelijke producent Paulo Branco, werd begroet als een grootmeester, die even rigide met tijd omging als Jean-Marie Straub, een aristocratisch marxist als Luchino Visconti en een surrealistisch beelddenker als Luis Buñuel. Zijn werk wekte ook wrevel door de hermetische structuur en de tergende traagheid. Hoewel de meeste grote festivals De Oliveira trouw bleven vertonen, won hij er nooit een hoofdprijs, behalve speciale oeuvreprijzen in Venetië (2004) en Cannes (2008). Ook het publiek liet de meeste films links liggen, met uitzondering van Je rentre à la maison/Vou para casa (2001), waarin Michel Piccoli als beroemd toneelspeler in de rouw besluit zich terug te trekken uit een wereld die hij niet meer begrijpt.
In 1982 maakte De Oliveira een documentaire over zijn familiegeschiedenis, Visita ou Memórias e Confissôes, waarvan hij vastlegde dat die pas na zijn dood uitgebracht mocht worden. Met geld van Menahem Golans naar artistieke erkenning hunkerend Cannon regisseerde hij vervolgens Le soulier de satin/The Satin Slipper (1985), een ruim zeven uur durende statische verfilming van een ontoegankelijk toneelstuk van Paul Claudel. Daarna onder meer het vierdelige O meu caso/Mon cas (1986), de anarchistische zwarte komedie Os canibais/The Cannibals (1988), het oorlogsessay ‘Non’ ou A vã gloria de mandar/Non ou la vaine gloire de commander (1990), het in een psychiatrische inrichting gesitueerde A divina comédia (1991), O dia do desespero (1992) over de laatste dagen van schrijver Camilo Castelo Branco, Vale Abraão (1993) en A caixa/Het kistje (1994).
Met de volgende film, O convento/The Convent (1995), sloegen De Oliveira en producent Branco een nieuwe weg in, namelijk het verluchtigen van de orthodoxe vormgeving met de aanwezigheid van grote internationale sterren, dit keer Catherine Deneuve en John Malkovich. Daarna Party (met Piccoli en Irene Papas; 1996), Viagem ao princípio do mundo/Journey to the Beginning of the World (met de zwanenzang van Marcello Mastroianni, als een oudere filmregisseur die Manoel heet; 1997),
Inquietude (1998), La lettre (met Chiara Mastroianni; 1999), Palavra e Utopia (2000), het docudrama Porto da minha infância/Het Porto van mijn jeugd (2001), O princípio da incerteza/Le principe de l’incertitude (2002), Um filme falado/A Talking Picture (met Deneuve en Malkovich; 2003),
O Quinto Império – Ontem como hoje.Le cinquième empire – Hier comme aujourd’hui (over de Portugese koning Sebastiaan; 2004), Espelho mágico/Le miroir magique (2005), Belle toujours (met Bulle Ogier en Piccoli; 2006), het segment Rencontre unique (over de ontmoeting tussen Chroesjtsjov en paus Johannes XXIII) in de episodefilm Chacun son cinéma (2007), Cristóvão Colombo – O enigma (2007), Singularides de uma rapariga loura/Eccentricities of a Blonde-Haired Girl (2009) en O estranho caso de Angélica/The Strange Case of Angelica (2010). Zijn laatste lange speelfilm, Gebo et l’ombre (met Michel Lonsdale, Jeanne Moreau en Claudia Cardinale; 2012), ging in première toen De Oliveira 103 was. Daarna maakte hij nog vier korte films, waarvan de laatste O velho do restelo (2014) dit jaar op IFFR te zien was. Trad als zichzelf op in onder meer Lisbon Story (Wim Wenders. 1994), de documentaire Marcello Mastroianni: mi ricordo, sí, io mi ricordo (Anna Maria Tatò, 1997) en de fakedocumentaire HH, Hitler à Hollywood (Frédéric Sojcher, 2010). Schreef en monteerde de meeste van zijn eigen films.

28 maart 2015

Miroslav Ondricek


80, Praag, 28 maart, natuurlijke dood

Tsjechisch cameraman. Draaide enkele sleutelfilms uit de zogeheten Praagse Lente en drukte daardoor zijn stempel op deze beweging. Later ook succesvol in Hollywood, vooral met werk van regisseur Milos Forman, hoewel hij altijd in Praag is blijven wonen en vooral in de jaren 70 met grote moeite elke keer een uitreisvergunning moest regelen. Oscarnominaties voor Ragtime (Forman, 1981) en Amadeus (Forman, 1984). Studeerde camera aan de interne opleiding van Barrandov Studio’s in Praag. Camera-assistent sinds 1957, eerste eigen cameracreditsvoor de korte documentaires Konkurs/Talent Competition (Forman, 1963) en Kdyby ty muziky nebyly/If It Weren’t for Music (Forman, 1964). Eerste lange speelfilm Intimni osvetleni/Intimate Lighting (Ivan Passer, 1965), zoals de titel al aangeeft ook een film over licht. Daarna chef-cameraman van films als Lasky jedne plavovlasky/Loves of a Blonde/De liefde van het blondje (Forman, 1965), Mucednici lasky/Martyrs of Love (Jan Nemec, 1967), The White Bus (Linday Anderson, 1967), Hori, ma panenko/The Firemen’s Ball/Het brandt, m’n liefje (Forman, 1967), Gouden Palmwinnaar If… (Anderson, 1968),
Le corps de Diane (Jean-Louis Richard, 1969), Taking Off (Forman, 1971), Slaughterhouse-Five (George Roy Hill, 1972), Homolka a tobolka (Jaroslav Papousek, 1972), O Lucky Man (Anderson, 1972), Drahe tety a ja (Zdenek Podskalsky, 1975), Zaklete rewiry/Hotel Pacific (Janusz Majewski, 1975), Hair (Forman, 1979), Bozska Ema/The Divine Emma (Jiri Krejczik,1979), Temne slunce/Dark Sun (Otakar Vavra, 1981), The World According to Garp (Hill, 1982), Silkwood (Mike Nichols, 1983), Heaven Help Us (Michael Dinner, 1985), F/X (Robert Mandel, 1986), Funny Farm (Hill, 1988), Valmont (Forman, 1989), Awakenings (Penny Marshall, 1990), A League of Their Own (Marshall, 1992), The Preacher’s Wife (Marshall, 1996) en Riding in Cars with Boys (Marshall, 2001). Vader van regisseur David Ondricek.

16 maart 2015

Buddy Elias


89, Bazel, 16 maart, doodsoorzaak onbekend

In Duitsland geboren Zwitsers acteur en fondsbestuurder, eigenlijk Bernhard Elias. Volle neef van Anne Frank, voorzitter van het Anne Frank Fonds, dat onder de meer de auteursrechten van haar dagboek beheert. In Bazel opgeleid toneelspeler, veertien jaar de sterkomiek van de ijsrevue Holiday on Ice (1947-61). Filmdebuut in Gouden Beerwinnaar David (Peter Lilienthal, 1979). Voorts in The Magician of Lublin (Menahem Golan, 1979), Poliziotto solitudine e rabbia/Knallharte Profis (Stelvio Massi, 1980), Charlotte (Frans Weisz, 1981), Der Zauberberg (naar Thomas Mann; Hans W. Geissendörfer, 1982), Kassettenliebe (Rolf Lyssy, 1982), Peng! Du bist tot! (Adolf Winkelmann, 1987), Bronsteins Kinder (Jerzy Kawalerowicz, 1991), als rabbijn in My Mother’s Courage (Michael Verhoeven, 1995), Sunshine (István Szabó, 1999), Nobel (Fabio Carpi, 2001), de korte film Das Cello (top-billed; Thomas Isler, 2001) en Was nützt die Liebe in Gedanken/Love in Thoughts (Achim von Borries, 2004). Daarnaast vele tv-films en –series. Zijn laatste (bij)rol, van een rabbijn in The Monuments Men (George Clooney, 2014), sneuvelde in de eindmontage. Getuigde in veel documentaires over Anne Frank. Getrouwd met actrice Gertie Wiedner, vader van de acteurs Patrick en Oliver Elias.

13 maart 2015

Lucille Roberts


55, Nederland, 13 maart, na een ziekte

Surinaams actrice en radiomaker. Radio-omroepster van RP- The Hot One.  Speelde de hoofdrol van Hortense tegenover Kenneth Herdigein in Het geheim van de Saramaccarivier (Pim de la Parra, 2007), een documentaire fictiefilm van de Surinaamse Filmacademie. Ook te zien in Het laatste verlangen (De la Parra, 2007) en Wat de vrouw wil…is de wil van God (Arie Verkuijl, 2008). Ook chef de bureau van de Surinaamse Film Academie (2006). 


02 maart 2015

Rense Westra


68, Leeuwarden, 2 maart, hartproblemen

Nederlands acteur. Gezichtsbepalend acteur voor het Friese taalgebied, tot 1994 bij het toneelgezelschap Tryater, daarna in alle films van regisseur Steven de Jong en als hoofdpersoon  van de regionale televisieserie Baas Boppe Baas (De Jong, 2001-05). Speelde vaak autoritaire figuren, die herkend werden als karakteristiek voor de Friese identiteit. Gouden Kalfnominatie voor zijn rol van een visser in het verzet in De Fûke (De Jong, 2000). Filmdebuut in De Dream (Pieter Verhoeff, 1985). Ook in De gouden swipe (De Jong, 1999),
als veearts in Marie Antoinette is niet dood (Irma Achten, 1996), als de conservatieve dichter Japik de Jong in Nynke (Verhoeff, 2001), als veldwachter Zwart in De schippers van de Kameleon (De Jong, 2003) en Kameleon 2 (De Jong, 2005), de korte film Útgong (Dennis Boetes, 2003), als boer in De passievrucht (Maarten Treurniet, 2003) en Floris (Jean van de Velde, 2004), in Sportman van de Eeuw (Mischa Alexander, 2006), als Dove Nelis in De scheepsjongens van Bontekoe (De Jong, 2007), Snuf de Hond in oorlogstijd (De Jong, 2008), Snuf de Hond en de Jacht op Vliegende Volckert (De Jong, 2008), als Kerstman in de eindexamenfilm Avonturen in de avonduren (Leyla Everaers, 2008), de telefilm Taartman (Annemarie van de Mond, 2009), de eindexamenfilm Andere dagen (Eché Janga, 2009), uncredited in De storm (Ben Sombogaart, 2009), als voorzitter van de Vereniging De Friesche Elf Steden in De Hel van ’63 (De Jong, 2009),
Snuf de Hond en de ijsvogel (De Jong, 2010), Snuf de Hond en het spookslot (De Jong, 2010), de eindexamenfilm Elvis Leeft! (David van Wassem, 2011), Penny’s Shadow (De Jong, 2011), Bennie Stout (Johan Nijenhuis, 2011), New Kids Nitro (Steffen Haars en Flip van der Kuil, 2011), Leve Boerenliefde (De Jong, 2013) en Stuk! (De Jong, 2014). Op televisie ook in series als Goudkust (1996),  Westenwind (2001), en Dankert & Dankert (als rechter; De Jong. 2007). Sprak het commentaar bij de documentaire Doarp (Henk Penninga, 1995).