15 december 2013

Joan Fontaine


96, Carmel CA, 15 december, natuurlijke dood

In Japan als Joan De Havilland geboren, oorspronkelijk Engels steractrice, vanaf 1943 Amerikaanse. Jongere zuster van actrice Olivia De Havilland, met wie ze een levenslange rivaliteit koesterde. Hun moeder, Lilian Fontaine, wilde ook al actrice worden, hetgeen pas lukte na en door het succes van haar dochters. Olivia won twee Oscars, Joan slechts een , maar wel eerder: als de echtgenote die Cary Grant van moordplannen verdenkt in Suspicion/Argwaan (Alfred Hitchcock, 1941), na eerder te zijn genomineerd voor een vergelijkbare rol in Rebecca (Hitchcocks eerste Amerikaanse succes, 1940). Haar derde nominatie was voor de hoofdrol in The Constant Nymph/Ongeweten liefde (Edmund Goulding, 1943) en Fontaines favoriete eigen film.
Had vóór haar eerste sterrol in Rebecca een bescheidener aandeel in het theater en in verschillende films. Debuut onder de naam Joan Burfield in de MGM-komedie No More Ladies (tegenover Joan Crawford; Edward H. Griffith en George Cukor, 1935). Prominent in de B-films A Million to One (Lynn Shores, 1937), The Man Who Found Himself/De man die zichzelf vond (Lew Landers, 1937), You Can’t Beat Love (Christy Cabanne, 1937), en Music for Madame (John G. Blystone, 1937). Tegenover Fred Astaire in A Damsel in Distress/Het meisje in de taxi (George Stevens, 1937), daarna eerste top-billing voor RKO in Maid’s Night Out (Ben Holmes, 1938),
gevolgd door Blond Cheat (top-billed; Jospeh Santley, 1938), Sky Giant/Reuzen der lucht (Landers, 1938), The Duke of West Point (Alfred E. Green, 1938), tegenover Grant in de verfilming van Rudyard Kiplings Gunga Din (Stevens, 1939), de Sam Houston-biografie Man of Conquest (George Nichols Jr., 1939) en in het sterrenensemble van The Women (Cukor, 1939). Vanaf de beide Hitchcock-films nam het aantal films af tot een zorgvuldig geselecteerde titel per jaar en legde Fontaine zich toe op rollen van delicate vrouwen in grote problemen. Onder meer in This Above All/Mensen op de tweesprong (tegenover Tyrone Power; Anatole Litvak, 1942),
de titelrol van Jane Eyre (tegenover Orson Welles; Robert Stevenson, 1943), Frenchman’s Creek (top-billed; Mitchell Leisen, 1944), The Affairs of Susan (top-billed; William A. Seiter, 1945), From This Day Forward (top-billed; John Berry, 1946), Ivy (top-billed; Sam Wood, 1947) en de klassieker Letter from an Unknown Woman (top-billed; Max Ophüls, 1948).
Vervolgens tegenover Bing Crosby in The Emperor Waltz (Billy Wilder, 1948), top-billed tegenover James Stewart in You Gotta Stay Happy (H.C. Potter, 1948), top-billed tegenover Burt Lancaster in Kiss the Blood Off My Hands (Norman Foster, 1948), September Affair (top-billed; William Dieterle, 1950),  Born to Be Bad (top-billed; Nicholas Ray, 1950), Darling, how Could You! (top-billed; Leisen, 1951), als alcoholiste in Something to Live For (top-billed; Stevens, 1952), tegenover Robert en Elizabeth Taylor in Ivanhoe (Richard Thorpe, 1952), top-billed in vier rollen in Decameron Nights (Hugo Fregonese, 1953), top-billed in Flight to Tangier (Charles Marquis Warren, 1953), The Bigamist (top-billed; Ida Lupino, 1953), Casanova’s Big Night (tegenover Bob Hope; Norman Z. McLeod, 1954), tegenover Mario Lanza in Serenade (Anthony Mann, 1956),
Beyond a Reasonable Doubt/Verdwenen alibi (Fritz Lang, 1956), Island in the Sun (Robert Rossen, 1957), tegenover Paul Newman in Until They Sail (Robert Wise, 1957), A Certain Smile (Jean Negulesco, 1958), Voyage to the Bottom of the Sea (Irwin Allen, 1961), Tender Is the Night (naar F. Scott Fitzgerald; Henry King, 1962) en de Hammer-productie The Witches (top-billed; Cyril Frankel, 1966). Gescheiden van onder meer acteur Brian Aherene, de latere Batman-producent William Dozier en scenarist-producent Collier Young.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen