24 juni 2014

Eli Wallach


98, New York, 24 juni, natuurlijke dood

Amerikaans acteur. In Brooklyn geboren zoon van Poolse immigranten, kreeg zijn eerste acteerlessen van Erwin Piscator en behoorde later tot de oprichters van de Actors Studio, de bakermat van ‘method acting’. Maakte in 1945 zijn debuut op Broadway en was daar zeer succesvol, vooral in stukken van Tennessee Williams en tegenover zijn echtgenote Anne Jackson. De filmrollen die hem aangeboden werden, wees hij aanvankelijk af, omdat hij toneel oneindig veel interessanter vond dan cinema: ,,Vergelijk het verschil met dat tussen kalenderkunst en echt goede schilderijen.’’ Uiteindelijk ging hij toch overstag en debuteerde imposant tegenover Carroll Baker in het erotisch geladen Baby Doll (Elia Kazan, 1956). Hij kreeg voor de rol een BAFTA als meest belovende nieuwkomer en een Golden Globe-nominatie. Het werd het begin van een lange filmloopbaan, met zeer gevarieerde rollen, van gangster tot rabbijn. Wallach werd om zijn kameleontisch talent wel eens “de beste karakterspeler in Hollywood” genoemd, wat net iets anders is dan een bijrolacteur. De bekendste rol was waarschijnlijk die van Tuco in de spaghettiwestern Il buono, il brutto e il cattivo/The Good, the Bad and the Ugly (Sergio Leone, 1965).
Pas in 2010 kreeg Wallach een Oscar voor zijn hele oeuvre. Dat bevatte films als The Lineup (top-billed; Don Siegel, 1958), Seven Thieves (Henry Hathaway, 1960), als Mexicaans bandiet in The Magnificent Seven (John Sturges, 1961), tegenover huisvriendin Marilyn Monroe in The Misfits (John Huston, 1961), Hemingway’s Adventures of a Young Man (Martin Ritt, 1962), als outlaw in How the West Was Won (segment Hathaway, 1962), The Victors/De overwinnaars (Carl Foreman, 1963), Act One (Dore Schary, 1963), als Griek tegenover Hayley Mills in de Disneyfilm The Moon-Spinners (James Neilson, 1964), Kisses for My President (Curtis Bernhardt, 1964), als de Generaal in Lord Jim (Richard Brooks, 1965), als sjah in Genghis Khan (Henry Levin, 1965), Poppies Are Also Flowers (Terence Young, 1966), tegenover Audrey Hepburn in How to Steal a Million (William Wyler, 1966),
The Tiger Makes Out (top-billed tegenover Jackson; Arthur Hiller, 1967), tegenover Dean Martin How to Save a Marriage and Ruin Your Life (Fielder Cook, 1968), tegenover Terence Hill en Bud Spencer in I quattro dell’Ave Maria/Ace High (Giuseppe Colizzi, 1968), Le cerveau/The Brain (Gérard Oury, 1969), Mackenna’s Gold (J. Lee Thompson, 1969), Zig Zag (Richard A. Colla, 1970), als Napoleon in The Adventures of Gerard (Jerzy Skolimowski, 1970), top-billed in The People Next Door (David Greene, 1970), het Joegoslavische Romansa konjokradice/Romance of a Horse Thief (Abraham Polonsky, 1971), Viva la muerte…tua!/Don’t Turn the Other Cheek (Duccio Tessari, 1971), Cinderella Liberty (Mark Rydell, 1973), top-billed tegenover Ursula Andress in L’ultima chance/Stateline Motel (Maurizio Lucidi, 1973),
Crazy Joe (Carlo Lizzani, 1974), Il bianco il giallo il nero (Sergio Corbucci, 1975), The Sentinel (Michael Winner, 1977), als bisschop in Nasty Habits (Michael Lindsay-Hogg, 1977), The Domino Principle (Stanley Kramer, 1977), The Deep (Peter Yates, 1977), Circle of Iron (Richard Moore, 1978), als rabbi in Girlfriends (Claudia Weill, 1978), Movie Movie (Stanley Donen,. 1978), The Pirate (Ken Annakin, 1978), Firepower (Winner, 1979), Winter Kills (William Richert, 1979), tegenover Steve McQueen in The Hunter (Buzz Kulik, 1980), Sam’s Son (top-billed tegenover Jackson; Michael Landon, 1984), Tough Guys (Jeff Kanew, 1986), Nuts (Ritt, 1987), The Two Jakes (Jack Nicholson, 1990), The Godfather: Part III (Francis Ford Coppola, 1990), Night and the City (Irwin Winkler, 1992), Two Much (Fernando Trueba, 1995), The Associate (Donald Petrie, 1996), als rabbijn in Keeping the Faith (Edward Norton, 2000), Mystic River (Clint Eastwood, 2003), The Hoax (Lasse Hallström, 2006), The Holiday (Nancy Meyers, 2006), New York, I Love You (segment Joshua Marston, 2008), The Ghost Writer (Roman Polanski, 2010) en Wall Street: Money Never Sleeps (Oliver Stone, 2010). Publiceerde memoires The Good, the Bad and Me: In My Anecdotage (2005). Oudoom van A.O. Scott, filmcriticus van The New York Times.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen