31 juli 2010

Suso Cecchi d'Amico


96, Rome, 31 juli, natuurlijke dood

Italiaans scenariste, eigenlijk Giovanna Suzanna Cecchi. Doyenne van de grote bloeiperiode van de Italiaanse cinema, die zowel sleutelbijdragen leverde aan het neorealisme als aan het oeuvre van regisseur Luchino Visconti. Kreeg slechts één (gedeelde) Oscarnominatie, voor Casanova 70 (Mario Monicelli, 1975); haar bewerking met Ennio Flaiano van het script van Roman Holiday (William Wyler, 1953) was officieus, zodat alleen Dalton Trumbo daar de scenario-Oscar voor kreeg. Wel ontving Cecchi d'Amico in 1994 een speciale Gouden Leeuw voor haar hele carrière.


Dochter van scenarist Emilio Cecchi begon als journalist en vertaler van Engelstalige toneelstukken. Eerste geproduceerde script was Mio figlio professore (Renato Castellani, 1946). Schreef met anderen neorealistische klassiekers als Ladri di biciclette/Fietsendieven (Vittorio de Sica, 1948), Miracolo a Milano (De Sica, 1951) en Bellissima (Visconti, 1951). Met de laatste regisseur zou ze bijna een leven lang samenwerken, aan films als Senso (1954), Le notti bianche (naar Dostojevski; 1957), Rocco e i suoi fratelli/Rocco en zijn broers (1960), Il gattopardo/De tijgerkat (1963), Vaghe stelle dell'orsa (1965), Lo straniero/The Stranger (naar Camus; 1967), Ludwig (1972), Gruppo di famiglia in un interno/Conversation Piece (1974) en L'innocente (naar D'Annunzio; 1976). Ook schreef ze voor Michelangelo Antonioni La signora senza camelie (1953), I vinti (1953) en Le amiche (naar Pavese; 1954), alsmede de nog steeds populaire boevenkomedie I soliti ignoti/Big Deal on Madonna Street/Met boeven vangt men boeven (Monicelli, 1958). Voorts onder veel meer Roma città libera (Marcello Pagliero, 1946), Vivere in pace (Luigi Zampa, 1947), Il delitto di Giovanni Episcopo (naar D'Annunzio; Alberto Lattuada, 1947), L'onorevole Angelina (Zampa, 1947), Fabiola (Alessandro Blasetti, 1949), Le mure di Malapaga (René Clément, 1949), Cielo sulla palude (Augusto Genina, 1949), Camicie rosse (Goffredo Alessandrini, 1952), Peccato che sia una canaglia (Blasetti, 1954), Proibito (Monicelli, 1954), La fortuna di essere donna (Blasetti, 1956), La sfida (Francesco Rosi, 1958), I magliari (Rosi, 1959), Estate violenta (Valerio Zurlini, 1959), Risate di gioia (Monicelli, 1959), It Started in Naples (Melville Shavelson, 1960), The Best of Enemies (Guy Hamilton, 1961), Salvatore Giuliano (Rosi, 1962), Boccaccio '70 (episoden van Monicelli en Visconti, 1962), Gli indifferenti (Francesco Maselli, 1964), Infanzia, vocazione en prime esperienze di Giacomo Casanova, Veneziano (Luigi Comencini, 1969), Metello (Mauro Bolognini, 1970), La mortadella/Lady Liberty (Monicelli, 1971), Fratello Sole, Sorella Luna/Brother Sun, Sister Moon (Franco Zeffirelli, 1972), Le avventure di Pinocchio (Comencini, 1972), Caro Michele (Monicelli, 1976), Jesus of Nazareth/La vita di Gesu' (Zeffirelli, 1977), Les mots pour le dire (José Pinheiro, 1983), Cuore (Comencini, 1984), Le due vite di Mattia Pascal (naar Pirandello; Monicelli, 1985), Speriamo che sia femmina (Monicelli, 1986), Oci ciornie/Dark Eyes (naar Tsjechov; Nikita Michalkov, 1987) en de documentaire Il mio viaggio in Italia (Martin Scorsese, 1999).


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen