Filmkenner Hans Beerekamp verzamelt op deze site informatie over mensen die alleen nog te bewonderen zijn door hun bijdrage aan het eeuwige filmscherm.
Engels uitvoerend producent. Begonnen in de postkamer van Associates
British Pictures. Aanvankelijk als Bernie Williams assistent-regisseur bij
films als Bunny Lake Is Missing (Otto
Preminger, 1965) en productieleider voor de luchtopnamen van Battle of Britain (Guy Hamilton, 1969)
en Sky Riders (Douglas Hickox, 1976).
Ook associate producer van twee films van Stanley Kubrick. Vanaf 1981 in
Hollywood. Debuteerde als executive producer van Dino De Laurentiis met de stripverfilming
Flash Gordon (Mike Hodges, 1980),
gevolgd door Ragtime (Milos Forman,
1981) en Amityville II: The Possession (Damiano
Damiani, 1982).
Produceerde daarna The
Bounty (Roger Donaldson, 1984), Manhunter
(Michael Mann, 1986), Wisdom (voor
Robert Wise; Emilio Estevez, 1986), Dirty
Rotten Scoundrels (Frank Oz, 1988), Navy
Seals (Lewis Teague, 1990), HouseSitter
(Oz, 1992), So I Married an Axe
Murderer (Thomas Schlamme, 1993), Star
Trek: Generations (David Carson, 1994), The
Indian in the Cupboard (Oz, 1995), Bowfinger
(Oz, 1999), The Score (Oz, 2001),
Daredevil (Mark Steven Johnson, 2003)
en Charlotte’s Web (Gary Winick,
2006). Razzie-nominatie voor de Madonna-flop Who's That Girl? (James Foley, 1987). Getrouwd met scriptgirl Valerie E. Norman, de dochter van regisseur en
editor Leslie Norman.
Hongaars cameraman en regisseur. Studeerde in 1961 af als
cameraman aan de nationale filmschool en bleef daaraan verbonden als docent, op
het laatste als hoofd van de filmafdeling van de hogeschool. Debuteerde met Nyár a hegyen/Summer on the Hill (Péter
Bacsó, 1967). Verantwoordelijk voor het beeld van enkele invloedrijke Hongaarse
films, zoals Bohóc a falon/Clowns on the
Wall (Pál Sándor, 1968), Fejlövés/The
Fatal Shot (Bacsó, 1968), Tiltott
terület/Forbidden Ground (Pál Gábor, 1969), het meer dan tien jaar verboden
A tanú/The Witness/De getuige (Bacsó,
1969), Szeressétek Odor Emíliát!/Love
Emilia! (Sándor, 1970), Horizont (Gábor,
1971), Jelenidö/Present (Bacsó,
1972), Holt vidék/Dead Landscape (István
Gaál, 1972), Forró vizet a kopaszra!/The
Agony of Mr. Boroka (Bacsó, 1972), Pókháló/Het
spinnenweb (Imre Mihályfi, 1974), Buék!/Gelukkig
nieuwjaar (Rezsö Szörény, 1978), A
kedves szómszéd/A Nice Neighbor (Zsolt Kézdi-Kovács, 1979) en de
Amerikaanse psychohorror Return (Andrew
Silver, 1985).
Debuteerde als regisseur met Tüzikovácsok/Feuerschmiede
(1975).Regissseerde vervolgens A Kenguru/The Kangaroo (1976), Kihajolny veszélyes/Don’t Lean Out of the
Window (Grand Prix in Montreal; 1978), Vámmentes
házasság/Duty-Free Marriage (1980), de concertdocumentaire Varázslat/Queen in Budapest (1987) en
het in competitie in Berlijn vertoonde A
halálraítélt/On Death Row/Sentenced to Death (1990). Coproducent van Le jardin des plantes (Philippe de Broca,
1994).
Amerikaans film- en televisieactrice. Pseudoniem van Dorothy
Smith. Vooral bekend door de rol van de verleidelijke boerendochter Elly May
Clampett in de tv-serie The Beverly Hillbillies
(1962-71). ‘Southern belle’ (Miss New Orleans 1957) maakte haar filmdebuut
tegenover Dean Martin met een kleine rol in Career
(Joseph Anthony, 1959). Ook in films als Lover Come Back/Een pyjama voor twee (als secretaresse; Delbert
Mann, 1961) en in de titelrol van Frankie
and Johnny (tegenover Elvis Presley; Frederick de Cordova, 1966).
Later
makelaar, gospelzangeres en auteur van kinderboeken. Spande in 1993 vergeefs
een plagiaatzaak aan tegen Disney omdat de musical Sister Act (Emile Ardolino, 1992) gebaseerd zou zijn op haar roman
en filmscript A Nun in the Closet.
Meer succes had de in 2011 geschikte zaak tegen Mattel wegens het op de markt
brengen van een Barbiepop onder de naam ‘Elly May’.
Oorspronkelijk Cubaans filmactrice, zangeres en danseres pseudoniem
van Emelia Pérez Castellanos, die zich vernoemde naar de Franse courtisane
Ninon de Lenclos. Ster van de Mexicaanse film van de jaren 50, met name de
zogeheten ‘cine de rumberas’ of rumbafilms: een muzikale variant op de film
noir, met gevallen vrouwen die zichzelf door de dans rehabiliteerden. Ze was
behalve in Mexico ook populair in Brazilië en Frankrijk en mocht de criticus
François Truffaut tot haar bewonderaars rekenen. Sevilla kwam in 1946 als
nachtclubdanseres naar Mexico. Werd de exclusieve ster van de studio
Producciones Calderón en wees aanbiedingen uit Hollywood resoluut af.Ze schreef ook zelf veel van de door haar
gezongen liedjes. Filmdebuut in Carita de
cielo (José Díaz Morales, 1947). Bekendste titels: Pecadora/Zondares (Díaz Morales en Carlos Schlieper, 1947),
Señora Tentación (Díaz Morales, 1948), Revancha (top-billed; Alberto Gout,
1948), Coqueta (top-billed; Fernando
A. Rivero, 1949), Perdida (Rivero,
1950), top-billed in een dubbelrol in Aventurera/Maison
de rendez-vous (Gout, 1950), Víctimas
del pecado/Quartier interdit (top-billed; Emilio Fernández, 1951), Sensualidad/Carrefour du vice (Gout,
1951), Aventura en Río (top-billed;
Gout, 1953), Mulata (top-billed;
Gilberto Martínez Solares, 1954), Llévame
en tus brazos/Rita, fille ardente (top-billed; Julio Bracho, 1954), Club de
señoritas (top-billed; Martínez Solares, 1956), Amor y pecado (top-billed; Alfredo B. Crevenna. 1956), Yambáo (top-billed; Crevenna, 1957) en Mujeres de fuego/Fiery Women (top-billed;
Tito Davison en Oswaldo Louzada, 1959).
Maakte een comeback met een kleine rol
in Las noches del Blanquita (Mario
Hernández, 1981), gevolgd door Noche de
carnaval (top-billed; Hernández, 1984), El
mexicano feo (Crevenna, 1984), Rumbera,
caliente (Crevenna, 1989) en Jóvenes
delincuentes (Hernández, 1991). Sindsdien uitsluitend in tv-series. Lange
relatie met producent Pedro Arturo Calderón.
Amerikaans acteur. Met een Tony onderscheiden
Broadway-acteur was ook zeer actief op televisie (met name als de vader in de
serie Gilmore Girls, 2000-07) en in
film. Speelde drie keer president Franklin D. Roosevelt, in de tv-film Eleanor and Franklin (Daniel Petrie,
1976), het vervolg Eleanor and Franklin:
The White House Years (Petrie, 1977) en in de film Annie (John Huston, 1982). Debuteerde zonder credit als politieman
in La mortadella/Lady Liberty (Mario
Monicelli, 1971) en officieel in The
Paper Chase (James Bridges, 1973). Voorts onder meer in The Day of the Dolphin (Mike Nichols,
1973), als Klippspringer in The Great
Gatsby (Jack Clayton, 1974), The
Great Waldo Pepper (George Roy Hill, 1975), The Betsy (Petrie, 1978), Brass
Target (John Hough, 1978), top-billed als worstelcoach in Take Down (Keith Merrill, 1979),
de
Disney-komedie The North Avenue
Irregulars (top-billed; Bruce Bilson, 1979), tegenover Muhammad Ali in de
tv-film Freedom Road (Ján Kadár,
1979), Harry’s War (top-billed;
Merrill, 1981), als Max Eastman in Oscarwinnaar Reds (Warren Beatty, 1981, Death
Valley (Dick Richards, 1982), A
Little Seks (Bruce Paltrow, 1982), als de man van Diane Keaton in Mrs. Soffel (Gillian Armstrong, 1984),
als ster van de film in de film in The
Purple Rose of Cairo (Woody Allen, 1985), The Man with One Red Shoe (Stan Dragoti, 1985), tegenover Susan
Sarandon in Compromising Positions (Frank
Perry, 1985), The Lost Boys (Joel
Schumacher, 1987), Overboard (Garry
Marshall, 1987), tegenover Bette Midler en Lily Tomlin in Big Business (Jim Abrahams, 1988), Hero (Stephen Frears, 1992), Born
Yesterday (Luis Mandoki, 1993), My
Boyfriend’s Back (Bob Balaban, 1993), de tv-film Don’t Drink the Water (Allen, 1994), als de vader van Macaulay
Culkin in Richie Rich (Donald Petrie,
1994), als Nelson Rockefeller in Nixon (Oliver
Stone, 1995), Critical Care (Sidney
Lumet, 1997), als dominee in Walking across
Egypt (Arthur Allan Seidelman, 1999), Double
Take (George Gallo, 2001), de Engelstalige remake Down (Dick Maas, 2001), als William Randolph Hearst in The Cat’s Meow (Peter Bogdanovich,
2001),
Trailer for The Cat's Meow on TrailerAddict.
als tegenspeler Raymond Massey in de tv-film James Dean (Mark Rydell, 2001), The
Emperor’s Club (Michael Hoffman, 2002), Intolerable
Cruelty (Joel Coen, 2003), The
Aviator (Martin Scorsese, 2004), Relative
Strangers (Greg Glienna, 2006), The
Pleasure of Your Company (Michael Ian Black, 2006), Factory Girl (George Hickenlooper, 2006), I Think I Love My Wife (Chris Rock, 2007), The Skeptic (Tennyson Bardwell, 2009), The Six Wifes of Henry Lefay (Howard Michael Gould, 2009), Bucky Larson: Born to Be a Star (Tom
Brady, 2011), For Robbing the Dead (top-billed;
Thomas Russell, 2011), Price Check (Michael
Walker, 2012), Christmas Oranges (top-billed;
John Lyde, 2012), Are You Here (Matthew
Weiner, 2013), The Town That Dreaded
Sundown (Alfonso Gomez-Rejon, 2014) en het nog uit te brengen Coach of the Year (David Stott, 2015).
Ook veelgevraagd stemacteur, met name door The History Channel. Te horen in
commercial voor Stratton Oakmont in The
Wolf of Wall Street (Scorsese, 2013).
In Düsseldorf geboren Amerikaans-Duits actrice, dochter van
een Amerikaanse vader, die in Wenen opgroeide. Direct nadat ze in 1935 naar
Hollywood was vertrokken, won ze twee jaar achter elkaar de Oscar voor beste
actrice, in The Great Ziegfeld (Robert
Z. Leonard, 1936) en The Good Earth (Sidney
Franklin, 1937). Vooral de door Jean Cocteau’s toneelmonoloog La voix humaine (1930) geïnspireerde
telefoonscène in The Great Ziegfeld werd
gezien als het summum van acteerkunst in films en bij de interne opleiding van
MGM voor filmacteurs aan jong talent ten voorbeeld gesteld. Nu doet het echter
een beetje precieus en te theatraal aan.
Rainer was in 1928 ontdekt door de
grote Weense toneelregisseur Max Reinhardt, die haar snel hoofdrollen bezorgde.
Ze maakte haar filmdebuut in de muzikale komedie Sehnsucht 202 (Max Neufeld, 1932), tegenover Magda Schneider, een
paar jaar later Romy’s moeder. Er volgden Madame
hat Besuch (Carl Boese, 1932) en het als verloren beschouwde Heut’ kommt’s drauf an (tegenover Hans
Albers; Kurt Gerron, 1933). Tijdens de opnamen voor haar Amerikaanse debuutfilm
Escapade (Leonard, 1935) ontmoette
Rainer de linkse toneelschrijver Clifford Odets, een van de oprichters van het
Group Theatre en daarmee grondleggers van ‘Method acting’. Ze werden verliefd
en trouwden in 1937. Het betekende ook een verdere verwijdering van de
opvattingen van studio MGM, die door Rainer “materialisme” verweten werd. Na de
plotselinge dood van de meer artistiek ingestelde producent Irving Thalberg in 1936
escaleerde het conflict met tycoon Louis B. Mayer snel en Hollywood zou slechts
kort plezier beleven aan de dubbele Oscarwinnares. Ze speelde nog in The Emperor’s Candlesticks (George
Fitzmaurice, 1937), Big City/Wereldstad (tegenover
Spencer Tracy; Frank Borzage, 1937), The
Toy Wife (top-billed; Richard Thorpe, 1938), de Strauss-biopic The Great Waltz (top-billed; Julien
Duvivier, 1938) en Dramatic School (top-billed;
Robert B. Sinclair, 1938).
Pas vijf jaar later speelde ze in haar voorlopig
laatste film, voor Paramount: Hostages (Frank
Tuttle, 1943). Het huwelijk met Odets was in 1940 ontbonden en in 1944 keerde
Rainer terug naar Europa, waar ze afwisselend in Zwitserland en Londen ging
wonen. Federico Fellini bood haar een rol aan in La dolce vita (1960), maar ook zij konden het niet eens worden en
de hele rol werd geschrapt. Behalve een cameo in Der erste Kuß(Erik
Ode, 1964) en enkele tv-producties was ze alleen nog te zien in de
Nederlands-Hongaars-Britse coproductie The
Gambler (naar Dostojewski; Karóly Makk, 1997).
Engels (film)componist. Studeerde musicologie aan de universiteit
van Cambridge, waar hij afstudeerde op het werk van Erik Satie. Zeer productief
componist in alle denkbare genres,van
kerkmuziek tot the New Swingle Singers, maar werd vooral bekend door zijn
soundtracks voor film en televisie. Eerste titelmuziek voor de filmversie van Marat/Sade (Peter Brook, 1967). Daarna
onder meer het Deense Balladen om
Carl-Henning (Lene en Sven Grønlykke, 1969), Hamlet (Tony Richardson, 1969), Giv
Gud en chance om søndagen/Give
God a Chance on Sunday (Henrik Stangerup, 1970), The Virgin and the Gypsy (Christopher Miles, 1970), The Boy Who Turned Yellow (Michael
Powell, 1972), Farlige kys/Dangerous
Kisses (Stangerup,. 1972), de documentaire over David Hockney A Bigger Splash (Jack Hazan, 1973),
Children of Rage (Arthur Allan
Seidelman, 1975), de korte documentaire The
Shetland Experience (Derek Williams, 1977), Stevie (Robert Enders, 1978), Black
Island (Ben Bolt, 1979), Whoops
Apocalypse (Tom Bussmann, 1988) en Comic
Act (Hazan, 1998). Voor tv onder meer de series Smiley's People (Simon Langton, 1982), The Spanish Civil War (John Blake en David Hart, 1983) en The Adventures of Sherlock Holmes (1984-85). Te zien in de korte documentaire How to Score….a Movie (over het componeren van de soundtrack voor Stevie; Enders, 1978). Directeur van de
Performing Right Society.