27 december 2015

Haskell Wexler


93, Santa Monica, 27 december, in zijn slaap

Amerikaans cameraman, regisseur en producent. Zeer invloedrijk director of photography, die voor zover de vakbondsreglementen het toestonden ook het liefst zelf de camera bediende. Stijl gekenmerkt door beweeglijkheid in documentaire trant, voorkeur voor politiek geëngageerde onderwerpen. Tweevoudig Oscarwinnaar, voor de zwart-witfotografie van de verfilming van Edward Albees toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf? (Mike Nichols, 1966) en voor het beeld van de biografie van de door David Carradine gespeelde folksinger en vakbondsman Woody Guthrie Bound for Glory (Hal Ashby, 1976). Die film bevat het destijds een sensatie veroorzakende allereerste Steadicam-shot, gedraaid door pionier Garrett Brown. Bij het afstappen van de kraan en te voet verder lopen moest Brown niet alleen de zware camera in evenwicht houden, maar ook verhinderen dat hij door de enorme tegenkracht gekatapulteerd zou worden; dat werd tegengegaan door het aanbrengen van ballast. Het lange shot, in een kamp voor arbeidsmigranten in het Amerika van de Grote Depressie, verloopt schijnbaar moeiteloos en vloeiend.

Wexler, die door vrienden Pete werd genoemd, kreeg nog drie Oscarnominaties voor camerawerk: One Flew Over the Cuckoo’s Nest (gedeeld met David Butler; Milos Forman, 1975), de mijnwerkersfilm Matewan (John Sayles, 1987) en Blaze (Ron Shelton, 1989). Als gedecoreerd oorlogsveteraan begon Wexler zijn carrière met een vroege Oscarnominatie (samen met John Barnes) voor de door hen beiden geregisseerde korte documentaire The Living City (1953). Ook was hij operateur van de second unit van speelfilms als Picnic (Joshua Logan, 1955) en Wild River (Elia Kazan, 1960). Ook draaide hij het drugsdrama Stakeout on Dope Street (onder het pseudoniem Mark Jeffrey; Irvin Kershner, 1958), waarin broer Yale Wexler de hoofdrol speelde. Tevens chef-camera van de voor een Oscar genomineerde korte film T for Tumbleweed (Louis Clyde Stoumen, 1958) en experimenteerde hij met het draaien van fictie in een documentaire setting voor het invloedrijke The Savage Eye (Ben Maddows, Sidney Meyers en Joseph Strick, 1960).
Dat procedé werkte Wexler verder uit in zijn eerste lange speelfilm als regisseur én cameraman, Medium Cool (1969), opgenomen tijdens de heftige demonstraties en rellen bij de Democratische Conventie in Chicago. Puur documentair draaide en regisseerde hij de Burgerrechtenfilm The Bus (1965). Verantwoordelijk voor het beeld in onder meer The Hoodlum Priest (Kershner, 1961), Angel Baby (Paul Wendkos, 1961), het voor de regisseur autobiografische migrantenepos America America (Kazan, 1963), The Best Man (Franklin J. Schaffner, 1964), The Loved One (Tony Richardson, 1965), vijfvoudig Oscarwinnaar In the Heat of the Night/De nacht van inspecteur Tibbs (Norman Jewison, 1967),
het modieuze The Thomas Crown Affair (Jewison, 1968), de met een Oscar onderscheiden korte documentaire Interviews with My Lai Veterans (Strick, 1971), Coming Home (met Fonda; Ashby, 1978), de regristratie Richard Pryor: Live on the Sunset Strip (Joe Layton, 1982), Lookin’ to Get Out (Ashby, 1982), de Truffaut-remake The Man Who Loved Women (Blake Edwards. 1983), de making of van het nooit voltooide Uncle Meat (Frank Zappa, 1987), de politiefilm Colors (Dennis Hopper, 1988), Three Fugitives (Francis Veber, 1989), Other People’s Money (Norman Jewison, 1991), The Babe (Arthur Hiller, 1992), The Secret of Roan Inish (Sayles, 1994), het speelfilmdebuut  Canadian Bacon (Michael Moore, 1995),
de documentaire The Sixth Sun: Mayan Uprising in Chiapas (Saul Landau, 1995), Mulholland Falls (Lee Tamahori, 1996), Limbo (Sayles, 1999), de voor een Oscar genomineerde korte documentaire The Man on Lincoln’s Nose (Daniel Raim, 2000), Silver City (Sayles, 2004) en de docu over art director Robert F. Boyle Something’s Gonna Live (Raim, 2010). Ook regisseerde Wexler de documentaires over Jane Fonda in Hanoi Introduction to the Enemy (1974) en Underground (over the Weather Underground; samen met Emile de Antonio en Mary Lampson, 1976), alsmede de speelfilm Latino (tevens scenario, over Nicaragua; 1985), de autobiografische documentaire Who Needs Sleep? (2006) en From Wharf Rats to Lords of the Docks (2007), Medium Cool Revisited (2013) en Four Days in Chicago (over de Occupy-beweging; 2013). Zonder credit droeg Wexler bij aan het beeld van Faces (John Cassavetes, 1968) en Gouden Palmwinnaar The Conversation (Francis Ford Coppola, 1974).




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen