28 september 2010

Arthur Penn


88, New York, 28 september, hartaanval

Amerikaans film-, theater- en televisieregisseur. Zijn op dat moment ongekend gewelddadige en rebelse depressiedrama Bonnie and Clyde (1967) zou van enorme invloed blijken op het 'nieuwe Hollywood'. De vertelling over het legendarische bankroverspaar Bonnie Parker (Faye Dunaway) en Clyde Barrow (Warren Beatty) benadrukte de uitsluiting van sociale paria's en de vanzelfsprekendheid van een keuze voor een (auto)destructieve vorm van criminaliteit. Maar ook de bloedbaden en het gebruik van technieken als slow-motion en parallelmontage zouden nog lang naklinken in het werk van generatiegenoten als Sam Peckinpah, John Frankenheimer en in zekere zin Dennis Hopper. Penn kreeg voor zijn bekendste film een Oscarnominatie als beste regisseur, net als voor The Miracle Worker (1962) en het hippierelaas Alice's Restaurant (1969).



De in Philadelphia geboren zoon van een horlogemaker van Joods-Russische afkomst werd aanvankelijk opgeleid om de zaak van zijn vader over te nemen, maar was ook als acteur actief in het theater. In de jaren vijftig werd hij een zeer gerespecteerd regisseur van televisiedrama's, ook de bakermat van Hollywoodregisseurs als Delbert Mann, Sidney Lumet en Frankenheimer. Penn debuteerde op het grote doek met een western over Billy the Kid, The Left Handed Gun (1958). De film met Paul Newman was vooral in Europa een culthit, maar trok in Amerika weinig aandacht, zodat Penn terugkeerde naar het toneel, dit keer als regisseur. De Oscars voor actrices Anne Bancroft en Patty Duke (als de doofblinde Helen Keller) in The Miracle Worker deden het tij enigszins keren, maar Penn werd ontslagen (en vervangen door Frankenheimer) als regisseur van The Train (1964) en zijn experimenteel vormgegeven Mickey One (1965) werd slecht begrepen, in tegenstelling tot het zuidelijke drama (naar Horton Foote) The Chase (met Marlon Brando, Jane Fonda en Robert Redford; 1966).

Na de twee 'tegencultuur'-films Bonnie and Clyde en Alice's Restaurant (tevens scenario) bevestigde Penn zijn reputatie als vertolker van de tijdgeest par excellence met Little Big Man (1970), een epos met Dustin Hoffman, dat trachtte een indiaanse visie op de geschiedenis van binnen uit weer te geven. Met uitzondering van het hoogspringerssegment in de documentaire Visions of Eight (1973) over de Olympische Spelen van München, maakte Penn vijf jaar geen film, waarna de film noir Night Moves (1975) enigszins teleurstelde. De western The Missouri Breaks (1976) imponeerde vooral door de poging de monstres sacrés Jack Nicholson en Brando te temmen. Daarna werd de carrière van Penn nog minder consistent. Four Friends (1981) volgde een groep schoolvrienden in de jaren zestig, Target (1985) kwam in de buurt van een doorsnee-actiefilm. Zijn laatste twee films, Dead of Winter (1987) en Penn & Teller Get Killed (1989), haalden hier de bioscoop niet eens. Europa bleef echter trouw Penn bewonderen als Amerikaans filmauteur, zoals bleek uit zijn deelname aan de Franse omnibusdocumentaire over het eeuwfeest van de cinema Lumière et cie. (1995) en een Gouden Beer voor zijn hele oeuvre (Berlijn 2007).


""

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen