11 januari 2010

Eric Rohmer


89, Parijs, 11 januari, natuurlijke dood

Frans regisseur, scenarist en criticus, pseudoniem van Maurice Henri Joseph Scherer. Invloedrijk en productief filmauteur, een van de grondleggers van de Nouvelle Vague, werd nooit een bekende naam bij het grote publiek, maar een held van cinefielen en collega-filmmakers. Favoriet op vele grote filmfestivals won nooit een Gouden Palm of een Oscar, maar werd wel genomineerd voor een Oscar als scenarioschrijver van Ma nuit chez Maud (1969), die tevens genomineerd werd als beste buitenlandse film. Ook won Rohmer een Gouden Leeuw in Venetië voor Le rayon vert (1986), de speciale juryprijs in Cannes voor Die Marquise von O. (1976) en een Zilveren Beer in Berlijn voor Pauline à la plage (1983).


Literatuurdocent Rohmer was een jaar of tien ouder dan de andere jonge critici (Jean-Luc Godard, François Truffaut, Claude Chabrol, Jacques Rivette) die begin jaren vijftig een politique des auteurs formuleerden, zich afzetten tegen de steriele traditie van Franse kwaliteitsfilms en allen later zelf gingen regisseren, onder de noemer Nouvelle Vague. Voor hen was het handschrift van de maker belangrijker dan de (literaire) inhoud. Rohmer leidde als eerste van hen een min of meer geregeld leven en nodigde de anderen vaak te eten uit bij hem thuis. In 1950 mede-oprichter van La gazette du cinéma, later van Les Cahiers du Cinéma, het hemelbestormende filmtijdschrift dat hij in de glorietijd (1957-63) als hoofredacteur leidde. Publiceerde in 1957 met Chabrol de baanbrekende studie Hitchcock.


Rohmer was ook de eerste die begon zelf te filmen, zijn korte debuutfilm Journal d'un scélérat dateert van 1950, gevolgd door Bérénice (1954) en La sonate à Kreutzer (1956). De eerste lange film was het losse en vrije Le signe du lion (1959).


Rohmer propageerde de zuiver filmische beginselen van de Nouvelle Vague, maar schreef ook altijd zelf de elegante en bespiegelende scenario's, waarin taal en de verhouding tussen verstand en gevoel een belangrijke rol speelden. Slechts bij hoge uitzondering trad hij zelf voor het voetlicht om zijn opvattingen over vorm en inhoud verbaal toe te lichten.


Zijn films bestonden uit een aantal samenhangende cycli en een handvol min of meer op zichzelf staande, literaire kostuumfilms: Die Marquise von O. (naar Heinrich von Kleist; 1976), Perceval le Gallois (naar het heldendicht van Chrétien de Troyes; 1978), L'anglaise et le duc (naar de memoires van Grace Elliott; 2001) en Les amours d'Astrée et de Céladon (naar Honoré d'Urfé; 2007).



Rohmers eerste cyclus noemde hij de contes moraux (morele vertellingen) en bestond uit twee korte films (La boulangère de Monceau, 1962 en La carrière de Suzanne, 1963) en vier lange: La collectionneuse (1967), Ma nuit chez Maud (1969), Le genou de Claire (1970) en L'amour l'après-midi (1972). Rode draad vormden de rationele belemmeringen van intellectuelen bij het ervaren van hun emoties.


In 1980 begon Rohmer aan een nieuwe cyclus, waarin de romantische avonturen van jongeren werden verwerkt tot blijspelen in de beste Franse theatertraditie. Hij noemde ze comédies et proverbes (komedies en spreekwoorden): La femme de l'aviateur (1981), Le beau mariage (1982), Pauline à la plage (1983), Les nuits de la pleine lune (1984), Le rayon vert (1986), 4 aventures de Reinette et Mirabelle (1987) en L'ami de mon amie (1987). Vervolgens entameerde hij opnieuw een morele cyclus, die hij de contes de quatre saisons (vertellingen van de vier jaargetijden) doopte: Conte de printemps (1990), Conte d'hiver (1992), Conte d'été (1996) en Conte d'automne (1998). Voorts regisseerde hij het gefictionaliseerde essay L'arbre, le maire et la médiathèque (1993), het romaneske Les rendez-vous de Paris (1995), het historische spionagedrama Triple Agent (2004) en de korte film Le canapé rouge (2005).



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen