04 januari 2015

Bernard Williams


72, Lake Arrowhead CA, 4 januari, kanker

Engels uitvoerend producent. Begonnen in de postkamer van Associates British Pictures. Aanvankelijk als Bernie Williams assistent-regisseur bij films als Bunny Lake Is Missing (Otto Preminger, 1965) en productieleider voor de luchtopnamen van Battle of Britain (Guy Hamilton, 1969) en Sky Riders (Douglas Hickox, 1976). Ook associate producer van twee films van Stanley Kubrick. Vanaf 1981 in Hollywood. Debuteerde als executive producer van Dino De Laurentiis met de stripverfilming Flash Gordon (Mike Hodges, 1980), gevolgd door Ragtime (Milos Forman, 1981) en Amityville II: The Possession (Damiano Damiani, 1982).

Produceerde daarna The Bounty (Roger Donaldson, 1984), Manhunter (Michael Mann, 1986), Wisdom (voor Robert Wise; Emilio Estevez, 1986), Dirty Rotten Scoundrels (Frank Oz, 1988), Navy Seals (Lewis Teague, 1990), HouseSitter (Oz, 1992), So I Married an Axe Murderer (Thomas Schlamme, 1993), Star Trek: Generations (David Carson, 1994), The Indian in the Cupboard (Oz, 1995), Bowfinger (Oz, 1999), The Score (Oz, 2001), Daredevil (Mark Steven Johnson, 2003) en Charlotte’s Web (Gary Winick, 2006). Razzie-nominatie voor de Madonna-flop Who's That Girl? (James Foley, 1987). Getrouwd met scriptgirl Valerie E. Norman, de dochter van regisseur en editor Leslie Norman.

János Zsombolyai


75, Budapest, 4 januari, doodsoorzaak onbekend

Hongaars cameraman en regisseur. Studeerde in 1961 af als cameraman aan de nationale filmschool en bleef daaraan verbonden als docent, op het laatste als hoofd van de filmafdeling van de hogeschool. Debuteerde met Nyár a hegyen/Summer on the Hill (Péter Bacsó, 1967). Verantwoordelijk voor het beeld van enkele invloedrijke Hongaarse films, zoals Bohóc a falon/Clowns on the Wall (Pál Sándor, 1968), Fejlövés/The Fatal Shot (Bacsó, 1968), Tiltott terület/Forbidden Ground (Pál Gábor, 1969), het meer dan tien jaar verboden A tanú/The Witness/De getuige (Bacsó, 1969), Szeressétek Odor Emíliát!/Love Emilia! (Sándor, 1970), Horizont (Gábor, 1971), Jelenidö/Present (Bacsó, 1972), Holt vidék/Dead Landscape (István Gaál, 1972), Forró vizet a kopaszra!/The Agony of Mr. Boroka (Bacsó, 1972), Pókháló/Het spinnenweb (Imre Mihályfi, 1974), Buék!/Gelukkig nieuwjaar (Rezsö Szörény, 1978), A kedves szómszéd/A Nice Neighbor (Zsolt Kézdi-Kovács, 1979) en de Amerikaanse psychohorror Return (Andrew Silver, 1985).

Debuteerde als regisseur met Tüzikovácsok/Feuerschmiede (1975).  Regissseerde vervolgens A Kenguru/The Kangaroo (1976), Kihajolny veszélyes/Don’t Lean Out of the Window (Grand Prix in Montreal; 1978), Vámmentes házasság/Duty-Free Marriage (1980), de concertdocumentaire Varázslat/Queen in Budapest (1987) en het in competitie in Berlijn vertoonde A halálraítélt/On Death Row/Sentenced to Death (1990). Coproducent van Le jardin des plantes (Philippe de Broca, 1994).

02 januari 2015

Donna Douglas


81, Zachary LA, 2 januari, alvleesklierkanker

Amerikaans film- en televisieactrice. Pseudoniem van Dorothy Smith. Vooral bekend door de rol van de verleidelijke boerendochter Elly May Clampett in de tv-serie The Beverly Hillbillies (1962-71). ‘Southern belle’ (Miss New Orleans 1957) maakte haar filmdebuut tegenover Dean Martin met een kleine rol in Career (Joseph Anthony, 1959). Ook in films als Lover Come Back/Een pyjama voor twee (als secretaresse; Delbert Mann, 1961) en in de titelrol van Frankie and Johnny (tegenover Elvis Presley; Frederick de Cordova, 1966).

Later makelaar, gospelzangeres en auteur van kinderboeken. Spande in 1993 vergeefs een plagiaatzaak aan tegen Disney omdat de musical Sister Act (Emile Ardolino, 1992) gebaseerd zou zijn op haar roman en filmscript A Nun in the Closet. Meer succes had de in 2011 geschikte zaak tegen Mattel wegens het op de markt brengen van een Barbiepop onder de naam ‘Elly May’.


01 januari 2015

Ninón Sevilla


85, Mexico-Stad, 1 januari, hartaanval

Oorspronkelijk Cubaans filmactrice, zangeres en danseres pseudoniem van Emelia Pérez Castellanos, die zich vernoemde naar de Franse courtisane Ninon de Lenclos. Ster van de Mexicaanse film van de jaren 50, met name de zogeheten ‘cine de rumberas’ of rumbafilms: een muzikale variant op de film noir, met gevallen vrouwen die zichzelf door de dans rehabiliteerden. Ze was behalve in Mexico ook populair in Brazilië en Frankrijk en mocht de criticus François Truffaut tot haar bewonderaars rekenen. Sevilla kwam in 1946 als nachtclubdanseres naar Mexico. Werd de exclusieve ster van de studio Producciones Calderón en wees aanbiedingen uit Hollywood resoluut af.  Ze schreef ook zelf veel van de door haar gezongen liedjes. Filmdebuut in Carita de cielo (José Díaz Morales, 1947). Bekendste titels: Pecadora/Zondares (Díaz Morales en Carlos Schlieper, 1947),
Señora Tentación (Díaz Morales, 1948), Revancha (top-billed; Alberto Gout, 1948), Coqueta (top-billed; Fernando A. Rivero, 1949), Perdida (Rivero, 1950), top-billed in een dubbelrol in Aventurera/Maison de rendez-vous (Gout, 1950),
Víctimas del pecado/Quartier interdit (top-billed; Emilio Fernández, 1951), Sensualidad/Carrefour du vice (Gout, 1951), Aventura en Río (top-billed; Gout, 1953), Mulata (top-billed; Gilberto Martínez Solares, 1954), Llévame en tus brazos/Rita, fille ardente (top-billed; Julio Bracho, 1954),  Club de señoritas (top-billed; Martínez Solares, 1956), Amor y pecado (top-billed; Alfredo B. Crevenna. 1956), Yambáo (top-billed; Crevenna, 1957) en Mujeres de fuego/Fiery Women (top-billed; Tito Davison en Oswaldo Louzada, 1959).
Maakte een comeback met een kleine rol in Las noches del Blanquita (Mario Hernández, 1981), gevolgd door Noche de carnaval (top-billed; Hernández, 1984), El mexicano feo (Crevenna, 1984), Rumbera, caliente (Crevenna, 1989) en Jóvenes delincuentes (Hernández, 1991). Sindsdien uitsluitend in tv-series. Lange relatie met producent Pedro Arturo Calderón.


31 december 2014

Edward Herrmann


71,  New York, 31 december, hersentumor

Amerikaans acteur. Met een Tony onderscheiden Broadway-acteur was ook zeer actief op televisie (met name als de vader in de serie Gilmore Girls, 2000-07) en in film. Speelde drie keer president Franklin D. Roosevelt, in de tv-film Eleanor and Franklin (Daniel Petrie, 1976), het vervolg Eleanor and Franklin: The White House Years (Petrie, 1977) en in de film Annie (John Huston, 1982). Debuteerde zonder credit als politieman in La mortadella/Lady Liberty (Mario Monicelli, 1971) en officieel in The Paper Chase (James Bridges, 1973). Voorts onder meer in The Day of the Dolphin (Mike Nichols, 1973), als Klippspringer in The Great Gatsby (Jack Clayton, 1974), The Great Waldo Pepper (George Roy Hill, 1975), The Betsy (Petrie, 1978), Brass Target (John Hough, 1978), top-billed als worstelcoach in Take Down (Keith Merrill, 1979),
de Disney-komedie The North Avenue Irregulars (top-billed; Bruce Bilson, 1979), tegenover Muhammad Ali in de tv-film Freedom Road (Ján Kadár, 1979), Harry’s War (top-billed; Merrill, 1981), als Max Eastman in Oscarwinnaar Reds (Warren Beatty, 1981, Death Valley (Dick Richards, 1982), A Little Seks (Bruce Paltrow, 1982), als de man van Diane Keaton in Mrs. Soffel (Gillian Armstrong, 1984), als ster van de film in de film in The Purple Rose of Cairo (Woody Allen, 1985), The Man with One Red Shoe (Stan Dragoti, 1985), tegenover Susan Sarandon in Compromising Positions (Frank Perry, 1985), The Lost Boys (Joel Schumacher, 1987),
Overboard (Garry Marshall, 1987), tegenover Bette Midler en Lily Tomlin in Big Business (Jim Abrahams, 1988), Hero (Stephen Frears, 1992), Born Yesterday (Luis Mandoki, 1993), My Boyfriend’s Back (Bob Balaban, 1993), de tv-film Don’t Drink the Water (Allen, 1994), als de vader van Macaulay Culkin in Richie Rich (Donald Petrie, 1994), als Nelson Rockefeller in Nixon (Oliver Stone, 1995), Critical Care (Sidney Lumet, 1997), als dominee in Walking across Egypt (Arthur Allan Seidelman, 1999), Double Take (George Gallo, 2001), de Engelstalige remake Down (Dick Maas, 2001), als William Randolph Hearst in The Cat’s Meow (Peter Bogdanovich, 2001),
Trailer for The Cat's Meow on TrailerAddict.
als tegenspeler Raymond Massey in de tv-film James Dean (Mark Rydell, 2001), The Emperor’s Club (Michael Hoffman, 2002), Intolerable Cruelty (Joel Coen, 2003), The Aviator (Martin Scorsese, 2004), Relative Strangers (Greg Glienna, 2006), The Pleasure of Your Company (Michael Ian Black, 2006), Factory Girl (George Hickenlooper, 2006), I Think I Love My Wife (Chris Rock, 2007), The Skeptic (Tennyson Bardwell, 2009), The Six Wifes of Henry Lefay (Howard Michael Gould, 2009), Bucky Larson: Born to Be a Star (Tom Brady, 2011), For Robbing the Dead (top-billed; Thomas Russell, 2011), Price Check (Michael Walker, 2012), Christmas Oranges (top-billed; John Lyde, 2012), Are You Here (Matthew Weiner, 2013), The Town That Dreaded Sundown (Alfonso Gomez-Rejon, 2014) en het nog uit te brengen Coach of the Year (David Stott, 2015). Ook veelgevraagd stemacteur, met name door The History Channel. Te horen in commercial voor Stratton Oakmont in The Wolf of Wall Street (Scorsese, 2013).


30 december 2014

Luise Rainer


104, Londen, 30 december, longontsteking

In Düsseldorf geboren Amerikaans-Duits actrice, dochter van een Amerikaanse vader, die in Wenen opgroeide. Direct nadat ze in 1935 naar Hollywood was vertrokken, won ze twee jaar achter elkaar de Oscar voor beste actrice, in The Great Ziegfeld (Robert Z. Leonard, 1936) en The Good Earth (Sidney Franklin, 1937). Vooral de door Jean Cocteau’s toneelmonoloog La voix humaine (1930) geïnspireerde telefoonscène in The Great Ziegfeld werd gezien als het summum van acteerkunst in films en bij de interne opleiding van MGM voor filmacteurs aan jong talent ten voorbeeld gesteld. Nu doet het echter een beetje precieus en te theatraal aan.
Rainer was in 1928 ontdekt door de grote Weense toneelregisseur Max Reinhardt, die haar snel hoofdrollen bezorgde. Ze maakte haar filmdebuut in de muzikale komedie Sehnsucht 202 (Max Neufeld, 1932), tegenover Magda Schneider, een paar jaar later Romy’s moeder. Er volgden Madame hat Besuch (Carl Boese, 1932) en het als verloren beschouwde Heut’ kommt’s drauf an (tegenover Hans Albers; Kurt Gerron, 1933). Tijdens de opnamen voor haar Amerikaanse debuutfilm Escapade (Leonard, 1935) ontmoette Rainer de linkse toneelschrijver Clifford Odets, een van de oprichters van het Group Theatre en daarmee grondleggers van ‘Method acting’. Ze werden verliefd en trouwden in 1937. Het betekende ook een verdere verwijdering van de opvattingen van studio MGM, die door Rainer “materialisme” verweten werd. Na de plotselinge dood van de meer artistiek ingestelde producent Irving Thalberg in 1936 escaleerde het conflict met tycoon Louis B. Mayer snel en Hollywood zou slechts kort plezier beleven aan de dubbele Oscarwinnares. Ze speelde nog in The Emperor’s Candlesticks (George Fitzmaurice, 1937), Big City/Wereldstad (tegenover Spencer Tracy; Frank Borzage, 1937), The Toy Wife (top-billed; Richard Thorpe, 1938), de Strauss-biopic The Great Waltz (top-billed; Julien Duvivier, 1938) en Dramatic School (top-billed; Robert B. Sinclair, 1938).
Pas vijf jaar later speelde ze in haar voorlopig laatste film, voor Paramount: Hostages (Frank Tuttle, 1943). Het huwelijk met Odets was in 1940 ontbonden en in 1944 keerde Rainer terug naar Europa, waar ze afwisselend in Zwitserland en Londen ging wonen. Federico Fellini bood haar een rol aan in La dolce vita (1960), maar ook zij konden het niet eens worden en de hele rol werd geschrapt. Behalve een cameo in Der erste Kuß (Erik Ode, 1964) en enkele tv-producties was ze alleen nog te zien in de Nederlands-Hongaars-Britse coproductie The Gambler (naar Dostojewski; Karóly Makk, 1997).


Patrick Gowers


78, Londen, 30 december, doodsoorzaak onbekend

Engels (film)componist. Studeerde musicologie aan de universiteit van Cambridge, waar hij afstudeerde op het werk van Erik Satie. Zeer productief componist in alle denkbare genres,  van kerkmuziek tot the New Swingle Singers, maar werd vooral bekend door zijn soundtracks voor film en televisie. Eerste titelmuziek voor de filmversie van Marat/Sade (Peter Brook, 1967). Daarna onder meer het Deense Balladen om Carl-Henning (Lene en Sven Grønlykke, 1969), Hamlet (Tony Richardson, 1969), Giv Gud en chance om søndagen/Give God a Chance on Sunday (Henrik Stangerup, 1970), The Virgin and the Gypsy (Christopher Miles, 1970), The Boy Who Turned Yellow (Michael Powell, 1972), Farlige kys/Dangerous Kisses (Stangerup,. 1972), de documentaire over David Hockney A Bigger Splash (Jack Hazan, 1973),
Children of Rage (Arthur Allan Seidelman, 1975), de korte documentaire The Shetland Experience (Derek Williams, 1977), Stevie (Robert Enders, 1978), Black Island (Ben Bolt, 1979), Whoops Apocalypse (Tom Bussmann, 1988) en Comic Act (Hazan, 1998). Voor tv onder meer de series Smiley's People (Simon Langton, 1982), The Spanish Civil War (John Blake en David Hart, 1983) en The Adventures of Sherlock Holmes (1984-85). Te zien in de korte documentaire How to Score….a Movie (over het componeren van de soundtrack voor Stevie; Enders, 1978). Directeur van de Performing Right Society.